Brieven
Briefwisseling over geloven
en alles wat we niet kunnen bewijzen
Maandelijks schrijven mijn beste vriend Jan Beuving en ik elkaar een brief, over ‘alles wat we niet kunnen bewijzen’. De brieven worden, met knalfoto’s door Hilde Harshagen, gepubliceerd in de cultuurbijlage van het Nederlands Dagblad, Gulliver. De vaste intro:
‘Merel Schelland en Jan Beuving leerden elkaar kennen toen zij natuurkunde respectievelijk wiskunde studeerden. Merel werd daarna allround verstandig mens, Jan cabaretier. Hun exacte opleidingen zijn geen blokkade voor hun existentiële interesses gebleken; Jan maakte ooit een heel theaterprogramma over zijn christelijke achtergrond, en Merel is in opleiding tot geestelijk begeleider (levensbeschouwelijk ongebonden). Ze zijn elkaars beste vrienden en schrijven in deze rubriek eens per maand brieven over geloven en alles wat we niet kunnen bewijzen.’
Kik hieronder op een set om de brieven te lezen.

Merel!
Op de snelweg werd ik laatst ingehaald door een motorrijder. Vanonder zijn rode helm wapperde een indrukwekkende paardenstaart, die zonder enige regelmaat woeste slagen naar links en rechts maakte – een beetje zoals een slechte dirigent in een zevenkwartsmaat – afgewisseld met periodes dat de staart in een soort rusttoestand recht achter hem hing. Soms flakkerde de bos haren vijf keer naar links, één keer naar rechts, dan weer drie keer links; volkomen willekeurig was het. ‘Pam, je haar danst’, dacht ik ineens, want reclameleuzen uit je jeugd zijn hardnekkig als sommige psalmen, maar vooral dacht ik: ‘Pak maar in met je natuurkunde.’ Het is met alle variabelen (snelheid, wind, aerodynamica, enzovoort) niet te voorspellen hoe die staart zich gedragen zal. De kleinste afwijking in de rijrichting heeft al grote gevolgen.
Hoe anders is dat als ik een jeu-de-boulesbal van een flatgebouw laat vallen. Als ik de hoogte van het gebouw weet en het gewicht van de bal, kan ik een vrij nauwkeurige voorspelling maken van hoe lang de bal erover doet om de grond te bereiken. Dat is dezelfde natuurkunde. Jij sms’te mij ooit – ik weet dit nog omdat mijn Nokia maar 75 berichten kan bewaren, en ik het bericht lang in mijn inbox heb gekoesterd – dat jij gelooft dat de wereld fundamenteel niet te kennen is. En dat terwijl je natuurkunde hebt gestudeerd, een tak van sport die zich dat kennen ten doel heeft gesteld.
Ik lees op dit moment het boek Op een andere planeet kunnen ze me redden van Lieke Marsman. Marsman, voormalig Dichter des Vaderlands, schrijft in het boek over haar leven nu ze ongeneeslijk ziek is. In het eerste essay merkt ze op dat alles wat ze op school en universiteit geleerd heeft, nu voelt als ‘ontoereikend’. Ontoereikend, dat herken ik heel goed – zonder ziek te zijn. Als ik dan naar de begrafenis van de paus zit te kijken, en die 91-jarige kardinaal Giovanni Battista Re hoor zeggen dat het menselijk bestaan non termina nella tomba, ma nella casa del Padre (niet eindigt in het graf maar in het huis van de Vader), denk ik ook: ja, dat is toch zo’n onverwoestbaar idee! Dat er nog iets naar ons reikt als onze tijd in deze ontoereikendheid voorbij is.
Jij en ik zijn uit twee verschillende windstreken in het doolhof van het leven beland. Ik kom uit een gelovig gezin, waar ik opgegroeid ben met het besef dat er meer is dan wij meten kunnen. Jij kwam aan de andere kant binnen, rekenmachine in de aanslag. Maar allebei zijn we in ons leven niet bij onze eigen ingang van dat doolhof blijven hangen. Ik heb ‘het bewijs der dingen die men niet ziet’ (Hebreeën 11, Nieuwe Testament) losgelaten – als enige bewijs, althans – en ik weet dat jij het bewijs van de dingen die je wél ziet niet altijd meer als leidraad neemt.
Over dat doolhof, en wat daarin ons kompas is, gaan we het op deze plek in de krant eens per maand hebben. Door elkaar in brieven vragen te stellen. Dus laat ik beginnen met dat exacte kompas. Ergens tussen jeu-de-boulesbal en paardenstaart houdt de voorspellende kracht van de natuurkunde op. Maar waar? En wat komt daarna?
Liefs!
Jan
Ha Jan!
Wist je dat veruit het bekendste nummer met een zevenkwartsmaat All You Need Is Love is, van The Beatles? Vroeger, toen ik nog dacht dat ik in de natuurwetenschappen de antwoorden op al mijn vragen zou vinden, maakten dat soort onware songteksten me woest. All you need is love, serieus? Wisten ze dan niets over water? Zuurstof? Koolhydraten?!
Het duurde tot ruim na mijn afstuderen voor ik me realiseerde dat die wetenschap maar een deel van de werkelijkheid beschrijft. Voor ik het aan mezelf wilde toegeven, bedoel ik. Het is heerlijk om als wetenschapper de wereld in te kijken: de opgeruimde structuren die je dan ziet geven houvast in een anders nogal onoverzichtelijk geheel. Zoals een kompas het noorden met een enkel naaldje weergeeft, waardoor we niet meer overgeleverd zijn aan ons zicht op (en onze kennis van) de sterren. Je kunt ervan gaan hopen dat alles zich uiteindelijk zo elegant zal laten samenvatten. Maar inderdaad: dan blijkt de wetenschap ontoereikend.
Want wetenschappers zijn een soort vissers: ze halen hun net door de wereld en gaan aan de slag met de verschijnselen die ze aan boord brengen. De wetenschappelijke methode is een net met heel typische mazen: alleen gebeurtenissen waaraan gemeten kan worden en die door een willekeurige andere waarnemer te herhalen zijn, blijven erin steken. (Daarnaast wordt lang niet overal gevist. Marsman schrijft erover in relatie tot haar zeldzame kankervorm, maar het geldt breder: onderzoekers – en hun financiers – moeten keuzes maken.)
De werkelijkheid zoals ik haar ervaar is maar beperkt op deze manier te vangen in universele wetten. En dus te kennen, in natuurwetenschappelijke zin. Ik ken nog altijd mensen die volhouden alleen in dat ‘wetenschappelijke’ deel te geloven: die veroordelen zichzelf tot een armoedig bestaan. Want wat eenmalig is, mysterieus of simpelweg persoonlijk, zal nooit zelfs maar aan dek worden gebracht. Is het een soort verliefdheid op die zo ongelooflijk succesvolle wetenschap, waardoor we soms niet onder ogen kunnen zien dat die ook haar beperkingen heeft? Als de wetenschap iets niet beschrijft, betekent dat niet dat het niet bestaat. Denk maar aan de liefde – of je daar nou van zou kunnen leven of niet.
Het vraagstuk van de jeu-de-boulesbal verschilt niet wezenlijk van de complexere paardenstaartvraag. Hoe ongelijk bal en staart zich ook gedragen, je kunt hun beweging naar hartenlust meten en herhalen. Afhankelijk van je geduld, je rekenkracht en je nauwkeurigheidseisen geeft de natuurkunde je een toereikend antwoord, en in ieder geval een toereikende methode. Dat de bal makkelijker te voorspellen is dan een paar duizend haren in de wind doet daar niets aan af.
Maar in beide situaties is er veel meer dan het traject van staart of bal. Die vrolijke rode helm bijvoorbeeld, de slechte jeu-de-boulesverliezer, dreigend op het dak van de flat, of de liedjes die op de snelweg ineens je hoofd in vliegen. We hoeven het niet meteen over de randen van ons aardse bestaan te hebben om te zien dat de wetenschap een grens heeft (in die context alleen al doordat het lastig is herhaalbare experimenten op te zetten). Juist de dingen die mij het nieuwsgierigst maken, glippen door de mazen heen. Gelukkig houdt niets ons tegen om verder te gaan met onderzoeken waar we het wetenschappelijk gereedschap moeten achterlaten. Opkijken van dat kompas dus, en ons verwonderen over de sterren. Zin in!
Liefs,
Merel
Ha Jan!
Toen ik zestien was, kocht ik een bijbel. Vier jaar daarvoor had ik van mijn zakgeld een Bosatlas gekocht, twee jaar later zou ik na lang twijfelen natuurkunde gaan studeren. Al deze acties waren onderdeel van mijn grotere plan: De Wereld Begrijpen.
In die onderneming paste de Bijbel als cultuurhistorische bron – eerst die, dacht ik, en dan de grote Nederlandse schrijvers. Om het wetenschappelijke karakter van mijn aankoop te benadrukken, liet ik tegelijk Het leven van Mohammed inpakken. Ook een nerdy puber heeft een imago te beschermen, tenslotte. Maar dat extra boek zette ik in de kast, en vol goede moed begon ik de bijbel van voor naar achter te lezen.
Ik stikte al snel in alle stambomen. Om ‘gelezen’-vinkjes in de inhoudsopgave te kunnen blijven zetten, stapte ik over naar de kleine profeten. Ik las de evangeliën, op zoek naar het kerstverhaal, en de poëzie. Toen zat ik vol. Het zou ruim twintig jaar duren voor ik het boek weer zou openslaan. Het lezen van Mulisch, Hermans en Reve moest dus toch zonder noemenswaardige Bijbelbagage gebeuren. (Ze vielen me tegen.)
Ik zat vol, denk ik nu, doordat ik die Bijbelboeken niet verteerd kreeg. Opgegroeid in een seculier gezin miste ik de enzymen om door de taaie teksten heen de geestelijke voedingsstoffen te bereiken. Ik las wel, maar de informatie stapelde zich alleen maar op. De tekst deed me niets. Hoe anders was jouw paplepel. Het Schriftrijke dieet van je kindertijd heeft je gevormd tot een mens met de Bijbel in zijn vezels.
Nog altijd ben ik geen geoefend Bijbellezer. Toen je in je vorige brief schreef dat je ‘het bewijs van de dingen die men niet ziet’ hebt losgelaten, en daarmee Hebreeën 11 citeerde (Nieuwe Testament, geen vinkje), moest ik de passage opzoeken. Als ik het goed versta gaat het citaat over de betekenis van geloven. Niet het minste om uit je handen te laten vallen, lijkt me.
Geloven is een vorm van vertrouwen, en daardoor ook van loslaten, denk ik inmiddels te begrijpen. Maar wat betekent het om los te laten wat je gelooft over geloven? Die vraag maakt me duizelig. Laat ik ergens anders beginnen: hoe liet je een van je waarheden los?
In mijn leven heb ik gemerkt dat hoe vertrouwder een waarheid voor iemand is, hoe pijnlijker en ontregelender het is als die aan flarden gaat. Meestal gebeurt dat niet zonder aanleiding. Het verlies aan houvast dat ermee gepaard gaat, is een hoge prijs voor de ruimte die je maakt. Het zijn waardevolle en bevrijdende overgangen, maar een mens kiest er zelden zomaar voor.
Ik zie je voor me zoals ik je ooit leerde kennen in het wiskunde-instituut. Zingend, geruit, je lijf langer dan je kon bewonen. Je hoofd en hart vol zekerheden, zelf verzameld en beleefd aangenomen van de autoriteiten in je leven: je ouders, de kerk, de Bijbel, school. De jongens van de voetbalclub, en hun vaders. Alles wat je las. En toen ook nog die bètastudenten, met hun natuurlijke gelijkhebberigheid. Je kreeg ze gratis bij je studie. Maar hoeveel verschillende waarheden kan een mens tegelijk dragen?
Ik stel me voor hoe je plek maakte door los te laten. Herinner je je het moment? Wat kwam ervoor in de plaats? Wat hield je extra stevig vast? Bleef er een gat achter?
En waarom moest juist het bewijs der dingen, zo oud en vanzelfsprekend, eraan geloven?
Liefs,
Merel
Merel!
Op mijn negentiende deed ik belijdenis van mijn christelijk geloof. Het was, net als dit weekend, Pinksteren. In aanloop naar die zondagochtend moest er nog een gesprek plaatsvinden met de dominee en de voorzitter van de kerkenraad; die laatste kwam toetsen of ik van de eerste wel genoeg opgestoken had in de belijdeniscatechese. Bij het prikken van een datum voor dat onderhoud werd de avond van 8 mei voorgesteld. ‘Dan speelt Feyenoord de UEFA Cupfinale’, zei ik. ‘Ik weet natuurlijk wat belangrijker is, dus als het echt moet kom ik, maar kunnen we misschien uitwijken?’
We vonden een ander moment. We kunnen hieruit concluderen dat ik – goddank! – groot ben gebracht in een kerk die openstond voor de wereld, en waar alle begrip was voor iemand die een voetbalwedstrijd wilde zien. Ik wil eraan toevoegen dat ik vandaag niet eens meer de optie zou aanbieden om de wedstrijd over te slaan. Is dat al loslaten?
In diezelfde kerk kreeg ik 8 jaar eerder mijn eerste catechisatie van Ds. Henk de Jong. Hij schreef ooit het boekje Moeders van Jezus, dat begint met de zin: ‘De geslachtsregisters in de bijbel behoren niet tot de gedeelten waar je het eerst naar grijpt.’ Je bent het met hem eens, begrijp ik. Het boekje gaat over de vier vrouwen die in het register (‘stamboom’) van Matteüs 1 worden vermeld. Henk de Jong noemt ze ‘de kruidnagels in het geslachtsregister van onze Heiland.’ (Dat register loopt overigens uit op Jozef, die genetisch niets met Jezus te maken heeft; voor De Wereld Begrijpen is de bijbel niet altijd de beste bron.)
Zo vol zekerheden waren mijn hoofd en hart trouwens niet, toen ik studeerde. Ik was jarenlang gepest op school – genoeg om levenslang onzeker te zijn. En qua geloof wist ik dat er meer was dan de kerk waarbinnen ik opgroeide. Bijvoorbeeld omdat mijn vader katholiek was, omdat bij de voetbalclub niemand naar de kerk ging, omdat ik, toen ik als kind in Saoedi-Arabië woonde, de islamitische gebedsoproepen hoorde. Qua religieuze zekerheden heb ik mijn lesje trouwens op school geleerd: in 4VWO bedacht onze LEF-leraar (Levensbeschouwing En Filosofie – de vervanger van het vak Godsdienst op ons Christelijk Lyceum) dat iedere les één leerling voor de klas zou zitten die door de rest ondervraagd werd over hoe hij/zij/hen in het leven stond. Toen ik er zat, werd ik aan een soort kruisverhoor over mijn kerkgang onderworpen, waarbij ik allemaal dogma’s heb opgelepeld waar ik niets van begreep, die ik desondanks verdedigde. Wat bleef hangen was: wie niet gelooft, gaat naar de hel. Een traumatische ervaring.
Toch was dat niet het moment. Er wás geen ‘moment’. Mijn geloof ging niet ineens aan flarden – ik zou eerder zeggen dat het langzaam rafelt. Maar de rafels vervlechten zich met de rafels van andere waarheden. Van absolute waarheden kun je er maar weinig hebben – misschien maar één – maar zachtere zekerheden kunnen samen een vertrouwde lappendeken vormen. Stof tot nadenken, zo je wilt.
Wat ik tot op de dag van vandaag belijd is: ‘Heb uw naaste lief als uzelf’. Dat lukt me lang niet altijd (je ziet, het zondebesef is ook nog steeds verweven!), maar een leidraad is het. Ik geloof dat het, van Frygië tot Pamfylië, onze grootste opdracht in de wereld is om de ander te zien – vanuit welke levensovertuiging dan ook. De Wereld Begrijpen komt daaruit voort.
Liefs terug!
Jan
Merel!
Toen mijn jongste zus werd geboren, woonden wij in Saoedi-Arabië. Ik zat er op een internationale school, die blijkbaar niet zo islamitisch was als het land zelf, want we zongen er liedjes als He’s Got the Whole World in His Hands. Toen mijn moeder na een paar weken met mijn zusje bij ons in de klas kwam, waren we dat liedje net aan het zingen, en maakte de juf er in het tweede couplet van He’s Got Jan’s Little Baby Sister in His Hands. De hele klas zong het mee.
Met dat vertrouwen ben ik de wereld in gewiegd. Dat er iemand is – misschien moet ik Iemand met een hoofdletter schrijven – die de wereld in handen heeft. Wij hoeven het als mensen allemaal niet zelf te bewerkstelligen – God waakt over ons. Of zoals psalm 68 zingt, in de berijming van Willem Barnard: God zij geprezen met ontzag / hij draagt ons leven dag aan dag. (Een van de grote voordelen van een christelijke jeugd: je kunt altijd psalmen zingen. Ook tijdens het stofzuigen of de afwas.)
Gekoppeld aan dat vertrouwen in een allesomvattende God, was de genade. Jezus die op Goede Vrijdag stierf voor onze zonden. Al onze zonden! Zelfs als je je hele leven lang misdadiger was geweest, kon je vlak voor je dood nog vergeven worden. En je hoefde niet toevallig net naast Jezus aan een kruis te hangen – Jezus hing naast ons allemaal. Ik was een onzeker kind, en ben nog steeds een onzeker mens, maar dat vertrouwen had ik. Ik ben nooit bang geweest voor God – sterker nog, ik was juist niet bang, omdat je tot God kon bidden.
In de zomer dat ik dertien was, waren we met ons gezin op vakantie in Amerika. We trokken rond met de camper, waar iedereen ook in sliep, behalve ik: ik lag altijd in een koepeltentje. Op een nacht stonden we in Yosemite National Park, waar ook beren leefden. Ik was echt bang daar in mijn slaapzak, in dat tentje waar een berenklauw moeiteloos doorheen zou scheuren. Ik heb toen gebeden of God mij veilig door de nacht wilde loodsen, of, als het dan Zijn wil was dat ik die nacht zou sterven, dat het dan tenminste pijnloos zou zijn. Het hielp. Ik sliep rustig in (en ik ben, zoals je uit het bestaan van deze brief kunt concluderen, zonder beerscheuren wakker geworden).
Ik zou nu in de camper gaan liggen, denk ik. Het rotsvaste geloof uit mijn kindertijd heb ik niet meer – en dat het de wil van God zou zijn dat een kind door een beer wordt gedood gaat er ook niet meer in. Met de jaren ga je jezelf afvragen of God echt ‘aan het roer van de geschiedenis’ staat, zoals een dominee dat ooit verwoordde. Zeker als in tijden van verrijkt uranium en verarmd geweten de wereld in handen lijkt van mensen (lees: mannen) die aanmerkelijk minder vergevingsgezind zijn.
Maar het besef van het hogere is nooit uit mij verdwenen. Het geloof in en het bestaan van God was een troost. Is een troost. Ik voel er nog altijd iets van, als ik die psalmen zing bijvoorbeeld. Als ik op zondagochtend naar de kerk fiets, en de klok hoor luiden die op die plek al 900 jaar luidt. Een cynicus zal zeggen: dat is geen troost, dat is nostalgie. Maar ik weet zeker dat het meer is dan dat. Ik heb die troost als kind geleerd, gevoeld, en die troost woont nog steeds ergens in mij.
Had jij als kind zo’n troost?
Liefs!
Jan
Lieve Jan,
Hoezo lag jij buiten in een tentje terwijl de rest van je familie veilig in de camper sliep? Ik kan me niet voorstellen dat je ouders geloofden in een Goddelijke berenbeveiliging. Was het dus minder gevaarlijk dan je dacht? Wisten ze dan wel hoe bang je was? Wat maakte dat je koos voor het gebed, en niet voor de steun van de mensen die zo dichtbij waren?
Mijn overheersende gedachte is: ik zou toch voor de zekerheid ál mijn kinderen in de camper leggen. Het idee dat je kind door een beer gegrepen wordt, terwijl je het had kunnen voorkomen – dat is toch onverdraaglijk?
Ik moet bekennen dat ik gevoelig ben voor die manier van denken, waarin mijn al dan niet overschatte vermogen om leed af te wenden een hoofdrol speelt. Erfenis uit mijn kindertijd.
Natuurlijk is He’s Got the Whole World In His Hands onmiskenbaar christelijk, in al zijn blije nabijheid. Maar het vermoeden en de hoop dat wij gedragen worden door iets groters, zijn dat niet. Die zouden wel eens universeel kunnen zijn.
In het (impliciet) humanistische gezin waarin ik opgroeide, waren het niet Gods handen die ons droegen, maar de handen van de mensheid. We moesten het samen doen, zonder transcendent vangnet. Ik voel me nog altijd thuis bij het uitgangspunt dat we allemaal verantwoordelijkheid dragen voor het grote geheel. Ook het vertrouwen dat in me werd gesteld als bijdrager aan het goede in de wereld geef ik met liefde door. Maar ik ben ook zeer bekend met een valkuil van die levensbeschouwing.
Want terwijl jij in de Sierra Nevada aan God vroeg of Hij deze beker aan je voorbij wilde laten gaan, lag ik in mijn Nederlandse bed te piekeren over het gasfornuis, het slot van de voordeur en de stand-bystand van onze beeldbuistelevisie. De Kinderen-voor-Kinderen-soundtrack van mijn kindertijd bevat (naast het onvolprezen Waarom hebben kippen geen gebitjes?) zonder twijfel Ik loop met één been op de stoep, en één been in de goot (en als ik dat niet doe, dan ben ik morgen dood). In het groeiende besef van de gevaren die mijn moeder en mij omringden, was mijn strategie de vlucht naar voren: controle. Als ik alles maar in de gaten zou houden, maakte ik mezelf wijs, kon ik rampen voorkomen.
Hoe groter mijn wereld werd, hoe meer verantwoordelijkheid ik voelde, en hoe meer ik tekortschoot. Er waren niet alleen ongelukkige mensen in mijn directe omgeving, ik had als twintiger ook nog steeds het klimaatprobleem niet opgelost, noch wereldvrede afgedwongen. Sterker nog, met al die drukte in mijn hoofd had ik al moeite mijn studie af te maken. Een burn-out haalde de eerste scherpe kantjes van mijn wereldbeheersgeloof.
Maar het verlangen bleef.
Het besef dat we maar beperkt in de hand hebben hoe het wat ons dierbaar is vergaat, is nu eenmaal moeilijk uit te houden.
Ik heb moeten leren dat we allemaal samen de soep vormen, en dat áls er al Iemand roert, ik dat niet ben. Er is een groter geheel. Het is nog niet zo lang geleden dat ik voor het eerst een kaars aanstak voor iemand in mijn omgeving, en kon voelen: ik ben betrokken, ik wens haar vurig het beste, en het ligt niet binnen mijn macht. Ik geef het over aan iets groters. (Bedoel jij in plaats van troost ook niet overgave, of het vertrouwen dat daarvoor nodig is?)
Binnen de islam bestaat het begrip tawakkul. Het betekent zoiets als: doe wat je kan, en vertrouw dan op God. Het raakt me, in zijn erkenning van zowel onze eigen invloed als onze geringe macht en ons beperkte inzicht in wat ‘de goede uitkomst’ zou kunnen zijn. Het brengt verantwoordelijkheid en vertrouwen in balans. Ik weet bijna zeker dat het zegt: éérst allemaal de camper in, en dan rustig slapen.
Liefs,
Merel
Ha Jan,
Ik schrijf je deze brief vanuit de polder. Ik ben voor een week ons huis ontvlucht, waar de zich vullende verhuisdozen mijn weg versperren, mijn gedachten kapen, alle spullen die ik wanneer dan ook bij me draag (sleutels, telefoon, tandenborstel) onmiddellijk laten verdwijnen. Ontheemd in mijn eigen huis, ben ik met mijn laptop vanmorgen aangekomen bij mijn familie, waar nog een bed, een bureau en een sleutel over waren. Het helpt dat mijn oom me net alle boeken heeft laten doorbladeren die hij op dit moment aan het lezen is, en dat ik een eigen stapel heb meegenomen uit de Randstad (waaronder een van jou geleende roman). Thuis.
Dit voorjaar zaten jij en ik in de auto, met onze dierbare reisgenoot I. Jullie zijn me beiden zo vertrouwd, en toch: toen jullie samen voorin Jezus is de goede herder galmden, leek ik van een andere planeet te komen. Dit was jullie moedertaal, overduidelijk niet de mijne. Ik genoot van jullie resonantie, maar toen zich na ook nog een aantal voor mij onnavolgbare psalmen een haakje aandiende voor een gesprek, haalde ik opgelucht adem. Ik kon weer meedoen.
In een kerk heb ik dat ook. Dat ik me kalm voel, prettig, thuis, op een bepaalde manier, totdat iedereen gaat zingen. Helemaal als er ook nog een orgel bij aangeblazen wordt. Dan voel ik me misplaatst. Om me heen voegen mensen zich samen tot een harmonieus geheel, maar ik grijp mis naar de noten en haper op de tekst. Terwijl ook voor mij samen zingen deel is van thuis zijn.
Toen mijn grootouders in de grote golf van de jaren zestig de (katholieke) kerk van hun jeugd uit spoelden, voelde dat denk ik als een ontsnapping. Ik heb ze tenminste nooit met weemoed horen praten, alleen maar over benauwdheid – over angst voor zonde en straf, eerbied voor meneer pastoor, de strakke lijnen waarbinnen ze als kind moesten denken en geloven. Wie weet van de weeromstuit, zijn in het gezin dat ze stichtten vrijheid van gedachte en vrijheid van geweten de centrale waarden geworden. Dat ze met de kerk ook een thuis hadden achtergelaten was nooit een thema in hun verhalen. Alleen in de mappen vol reproducties van madonna’s, haar leven lang met zorg verzameld door mijn oma, vang ik nog een glimp op van de beelden waarmee ze moet zijn opgegroeid.
Soms lijkt het alsof gelovigen en niet-gelovigen (wat die twee groepen dan ook maar precies van elkaar zou onderscheiden) tegenover elkaar staan op basis van wat ze als de waarheid zien. Als ik naar jou en mij kijk, denk ik dat geen moment. Ik heb eerder het idee dat we gewoon op verschillende plekken geboren zijn, in verschillende talen grootgebracht. Jij pikt nestgeur op in de kerk, in de taal van preken en psalmen, in nieuwe berijming en melodieën die ik maar niet te pakken krijg. Ik herken veel meer in mystici die langs studie, stilte en meditatie gaan. Via verschillende routes komen we bij een laag waarop we beiden thuis zijn. Zoals toen je, aan tafel met I en mij, bad voor de liefde en de vriendschap. Wat een enorm geluk om jullie daar te treffen.
Al kom jij nog altijd in de kerk, toch ben je ook weg bewogen van je ouderlijk huis. Het zou zelfs kunnen dat jij je inmiddels in een minder gelovige omgeving bevindt dan ik. Stel hè, Jan, dat je ooit heimwee krijgt. Welk lied zal ik dan voor je zingen? Ik leer het uit mijn hoofd, beloofd. Al moet ik er jaren op studeren.
Liefs!
Merel
Merel!
Wat jammer dat je uitgerekend bij het zingen de kerk uit zou willen. Troost je met de gedachte dat ook binnen de kerken mensen zich buitengesloten voelen door de muziek. Ik groeide op met het Liedboek voor de Kerken uit 1973. 150 psalmen, 491 gezangen, samengebonden in een rood bundeltje met gouden Christusmonogram voorop.
Gestaag werd aan de onaantastbaarheid van dit liedboek gemorreld. Er lagen ineens gekopieerde a4’tjes op de stoelen met Samen in de naam van Jezus of Abba Vader. (Nooit zal ik vergeten hoe broeder Jansen en zuster Zwaan spottend met hun armen in de lucht meezwaaiden alsof ze bij een popconcert zaten.) Later kwamen er meer opwekkingsliederen, een hele Evangelische Liedbundel, Psalmen voor nu, en uiteindelijk het Nieuwe Liedboek. Al deze veranderingen gingen gepaard met gemopper van een deel van de gemeente. Ikzelf vind het vooral jammer dat ik buiten de psalmen van niet één lied het nummer nog weet.
Jezus is de goede herder is een kraker van Elly (Nieman) en Rikkert (Zuiderveld). Elly en Rikkert werden in sommige kringen ronduit geháát, onder meer omdat ze het Onze Vader op vrolijke muziek hadden gezet. Als kind heb ik Jezus is… zeker niet geleerd; dit is tot mij gekomen toen ik al puber geweest was. Ik zong het vaak met lichte ironie (ook omdat in ons gezin een heel scabreuze tekstvariant over mijn zus de ronde deed), maar die middag in de auto met I. verschoof dat al richting de weemoed. ‘Ook deze tijd zal eenmaal de goede oude tijd worden’ – Godfried Bomans schreef het al.
Je kaart een veel wezenlijker punt aan: ergens thuis zijn. Muziek kan dat gevoel versterken, en de kerk heeft daar geen alleenrecht op. Corpsreünisten worden ontroerd door Io Vivat, Feyenoorders door Hand in Hand, Oasisfans door Wonderwall.
In een van de psalmen die jij niet zingen kunt, 133, staat in de oude berijming: Waar liefde woont, gebiedt de HEER den zegen. Die volgorde is belangrijk, volgens mij: het is de liefde waaruit de zegen voortkomt. Niet andersom. Bij twee mensen die elkaar ontmoeten is iets soortgelijks aan de hand, denk ik: je hoeft geen waarheid te delen om contact te kunnen maken; in echt contact ontstaat een waarheid van mens tot mens.
Het boek dat ik je leende is Stoneyard Devotional van Charlotte Wood. Toen ik het uit had heb ik je meteen een brief geschreven om je te zeggen hoe dierbaar je me bent. Als ik het me goed herinner gaat een van de laatste passages over composteren. Wat je er ook bij gooit (schillen, takken, papier, theezakjes): de natuur, de liefde van de tuinder én de tijd maken er uiteindelijk één vruchtbaar geheel van. Soms kom je in het leven iemand tegen die duidelijk tegelijk met jou op de hoop is gegooid, en soms ontmoet je iemand met wie je na jaren vaststelt dat je tot dezelfde diepe laag bent ingeklonken.
Dat je, als ik naar huis verlang, iets voor me zingen zult, ontroert me. Ik zou je een psalm met lekker veel foute klemtonen kunnen opgeven, of iets moois uit het nieuwe liedboek (Vervuld van uw zegen bijvoorbeeld, van Rikkert Zuiderveld), maar ik kies voor een vertaling van Willem Barnard: ‘O Jezus, hoe vertrouwd en goed / klinkt mij uw naam in ’t oor, / uw naam die mij geloven doet: / gij gaat mij reddend voor’. Vooral het laatste couplet geeft me troost: ‘O naam, eeuwige ademtocht, / een sterveling ben ik, / als eens mijn eigen adem stokt / dan draagt mij uw muziek.’
Als het feest voorbij is, worden we thuisgebracht.
Liefs!
Jan
Merel!
Deze zomer las ik de biografie van L.E.J. Brouwer, Bertus voor intimi. Bertus Brouwer was de grootste Nederlandse wiskundige van de vorige eeuw. Hij maakte vlak na de eeuwwisseling naam in de topologie, met als meest in het oog springende wapenfeit zijn dekpuntsstelling. Een dekpunt is een punt dat niet van plek verandert als je een ruimte op zichzelf afbeeldt. Concreet voorbeeld: als ik een cirkel een kwartslag op de plaats draai, zodat hij dus op zichzelf wordt ‘afgebeeld’, dan is het middelpunt een dekpunt: dat blijft waar het was.
Er zijn ook vrolijke varianten in drie dimensies. Een ervan is de stelling van de harige bal, waarmee Brouwer (in de wiskunde althans) een internationale beroemdheid werd: als je een harige bal helemaal kamt, dan heb je altijd minimaal één kruin. Dat is een voorbeeld van de dekpuntsstelling – in de biografie (geschreven door Dirk van Dalen) staan er meer.
Minstens zo interessant als zijn topologische werk is zijn filosofische kijk op de wiskunde. Wiskunde, zo meende Brouwer, is geen wetenschap, maar een daad. ‘Poëzie is een daad van bevestiging. Ik bevestig dat ik leef’, schreef Remco Campert, en Brouwer zei eigenlijk (toen Campert nog geboren moest worden): Wiskunde is een daad van bevestiging. Ik bevestig dat ik construeer.’ De wiskunde bestaat uit dingen die niet werkelijk bestaan – iemand die wiskunde bedrijft, construeert die dingen. Het getal 5 bijvoorbeeld kun je niet vastpakken, je construeert het in gedachten. Brouwer bouwde om dat idee een heel nieuwe tak van de wiskunde, het intuïtionisme.
Is geloven niet ook een daad? Construeren wij (een) God?
De mens en het mysterie hebben een lange geschiedenis. Er werden mythes en andere verhalen bedacht om de mysterieën te verklaren. Of het nu Helios is die met zijn zonnewagen langs de hemel rijdt, of het scheppingsverhaal in welke religie dan ook: mensen vatten in taal het onbevattelijke – dat we er zijn. Zo ervaar ik het zelf ook, op sommige momenten in het leven: dat iets groter is dan je bevatten kunt.
Voor die momenten doe ik niets. Als ik op natuurijs schaats, of bij zonsondergang uitkijk over de Boschplaat op Terschelling, dan overvalt mij de grootsheid ervan, de onbevattelijkheid. Ja, ik ben ervoor naar het ijs gereden, of naar de punt van het eiland gefietst, maar dat die grootsheid er is, is niet het gevolg van mijn reisbewegingen. Iets soortgelijks ervaar ik als ik nadenk over het geluk dat mijn vrouw van mij houdt, of de vriendschap die ik met jou heb. Ik heb daar niets bewust voor gedaan – het is me toegevallen. Genade, zo je wilt.
Maar is het niet een daad om dat genade te noemen? Genade is iets anders dan toeval: genade krijg je. Van iets of iemand. En dus construeer je in het benoemen van genade een entiteit die jou met die genade bedeelt. Ik heb als kind geleerd die entiteit God te noemen. Ik weet nog goed dat ik eens met mijn vader in de auto zat, ik moet een jaar of zestien zijn geweest, en dat hij zei: ‘het is in het leven allemaal een kwestie van genade en geluk’.
Leven is een continue afbeelding op jezelf. Mijn geloof ervaar ik daarbij niet als een dekpunt: het is steeds ergens anders. Of God bestaat, is mij onbekend. Maar van de genade weet ik het zeker.
Doet het er dan eigenlijk toe waar die vandaan komt?
Liefs!
Jan
Lieve Jan,
Alleen een wiskundige haalt het in zijn hoofd om zó ingewikkeld te doen en dat dan intuïtionisme te noemen. Bijzondere types zijn jullie toch.
Ik aarzel, merk ik, bij het woord genade. Privé ben ik er dol op; het is een woord dat klopt met de grootsheid van wat me zo kan overweldigen: het besef van groot en onverdiend geluk, samengaand met – in mijn geval – een gevoel van dankbaarheid aan niemand in het bijzonder, of eigenlijk aan het universum als geheel. Maar nu, jou schrijvend en wetend dat er een christelijk publiek meeleest, ben ik me ineens nogal bewust van de Bijbelse context van de term, en de implicatie dat het gaat om een cadeau van de enige echte God. Het voelt als een verboden woord, als culturele toe-eigening zolang ik in het midden wil laten waar die genade vandaan komt. Laat ik het daarom over geluk hebben. Dat is van iedereen.
Ik bedoel niet: iedereen heeft evenveel geluk. Als er íets typisch is aan het fenomeen, dan is het wel de ongelijke en onvoorspelbare verdeling ervan. Daarnaast is niet iedereen even bevattelijk voor grote gevoelens. ‘Alles is veel voor wie niet veel verwacht’, dichtte die andere vaderlandse feestneus ooit al in De Dapperstraat. Maar het besef (de intuïtie, zou ik bijna zeggen) iets groots te ontvangen dat je onmogelijk zelf kan hebben verdiend moet toch bijna wel universeel zijn. Overal komt elke dag de zon weer op en plukken we fruit van de bomen, tenslotte. Overal worden mensen verliefd – en blijkt die ander ook op hen. Overal krijgen mensen de prachtigste kinderen die ze ooit hebben gezien, en plassen ze in hun broek van het lachen met hun dierbaren. Maar vooral: overal leven mensen. Zodra je er bent, heb je je eerste enorme cadeau op zak. Elke dag weer. En elke dag kunnen we lezen en zien dat dat niet vanzelf spreekt.
Tegelijk denk ik dat het wel degelijk uitmaakt waar dat geluk vandaan komt. Welke betekenis het voor je heeft, en daarmee: wat het met je doet. Dat is geen zaak van construeren; het gaat dieper. De betekenis die je ziet, hangt samen met de zingevingsverhalen waarmee je leeft. Die bepalen wat er überhaupt te construeren valt in jouw wereldbeeld. Een voorbeeld: de oude Grieken gebruikten de mythe van Helios om te zeggen ‘we leven in een bezielde en betrouwbare kosmos’, en ontleenden daar houvast en richting aan, maar geen verklaringen. Een ander voorbeeld is het grondverhaal waarmee jij bent opgegroeid, waarin de wereld een voortdurend persoonlijk geschenk is van God. Er zijn meer bepalende verhalen om ons heen. Onontkoombaar in onze tijd is het (deels in Genesis 3 gewortelde en nogal uit de hand gelopen) idee dat we op leven en dood met elkaar concurreren in een wereld van tekorten. En, hoopgevender wat mij betreft: het verhaal dat in inheemse religies wordt verteld, waarin we deel zijn van een web van leven en een kringloop van geschenken.
Waar het schaarsteverhaal me een schuldgevoel geeft als ik geluk heb (alsof mijn geluk ten koste gaat van dat van een ander; gepakt uit een pot die te klein is voor de mensheid), kan ik me voorstellen dat jouw verhaal je vervult van dankbaarheid. Het mooist vind ik zelf het perspectief van de kringloop. Het geluk stopt daarin niet bij mij, maar verplicht me tot doorgeven. In de woorden van biologe en schrijfster van Potawatomi-afkomst Robin Wall Kimmerer: ‘We worden elke dag overladen met geschenken, maar ze zijn niet bedoeld om voor onszelf te houden. (…) Het is onze taak en ons geluk om de gaven door te geven in het vertrouwen dat wat we de wereld in sturen altijd bij ons terugkomt.’
Er is geen objectieve manier om te kiezen tussen de verhalen, de logica staat machteloos. De écht belangrijke keuzes zijn een daad van intuïtie.
Liefs!
Merel
Ha lieve Jan,
Eindelijk vind ik de rust om je te schrijven. Genade kent vele gedaanten; ik trof haar deze week in de vorm van koorts. Na een paar weken van verder en verder versnellen, gegrepen door actielijstjes, nieuws, wakkerschrikgedachten en telefoonpiepjes, legde een verkoudheid me stil. Ik had het grote geluk dat iemand me soep bracht, en dat er voor mijn kinderen werd gezorgd. De weg naar vertraging, naar binnen en naar stilte, die ik steeds meer uit het oog verloren had, werd door een simpel virus binnen een paar uur geforceerd. Hoera voor de herfst.
Wat is dat toch hè, dat hoe harder we het nodig hebben om naar binnen te keren, hoe moeilijker de ingang te lokaliseren is. Hoe drukker het wordt om me heen en in mijn hoofd, hoe meer baat ik zou hebben bij wezenlijke ontspanning, innerlijke kalmte om de chaos tegemoet te treden. En hoe meer moeite het me kost om die houding te vinden.
Ik zou de verkiezingen de schuld kunnen geven. De wereldpolitiek in de breedte. Het klimaatprobleem, de lawaaiige buurman, de niet-leverende collega. De zorgen om geliefden, de haperingen in dierbare relaties. Maar ik heb inmiddels lang genoeg geleefd om te weten: het is nooit af. Er is altijd wat. En juist de grote uitdagingen in het leven vragen om een zekere onverstoorbaarheid in de diepte. Dat is geen kwestie van wachten op de perfecte omstandigheden, maar van toewijding.
In het boek Vrij & onbezorgd schrijft boeddhist Robert Hartzema over onze voortdurende gedachtestroom: ‘Wanneer je alleen op de zinnen let, mis je de punt, maar wanneer je op de punten gaat letten, merk je hoeveel het er zijn. En na elke punt is er even een adempauze, een stilte, een interval, een ruimte-er-tussen, waarin je elke kant uit kunt gaan. Je hoeft het innerlijke verhaal niet af te maken. Je kunt elk moment stoppen, om je heen kijken, en het leven werkelijk beleven.’
Mij helpt zo’n beeld; we zijn op elk moment vrij. Niet van wat ons overkomt natuurlijk, maar wel vrij om in onszelf een stap naar achteren te doen, daarvandaan te kijken. Om onze houding opnieuw te bepalen. Maar dan moet je je wel weten los te rukken van alles wat je in zijn greep heeft.
Toewijding aan dagelijkse meditatie helpt. Maar dagelijks mediteren is moeilijker in tijden van stress; volle dagen knagen aan mijn discipline. Kunst helpt, en mooie boeken (maar opnieuw: zie er maar eens tijd voor te maken als je to-dolijst je heeft overgenomen). Liefde helpt. Humor helpt: een goede grap kan je jezelf laten relativeren, je de betrekkelijkheid van het geheel laten zien. Het is een van de vele redenen dat ik je zo graag spreek. En dan is er gelukkig altijd nog het verkoudheidsseizoen, voor de hardnekkige gevallen.
Wat mij dus heerlijk lijkt aan christen zijn, en tegelijk een gedoe: het ritme van wekelijks naar de kerk gaan. Na elke zes dagen een zevende die je uit het automatische haalt en je terugplaatst in een ruimer perspectief, terugbrengt naar een laag van stilte, betekenis en onvoorwaardelijkheid. Ook als je geen tijd hebt. Juist als je geen tijd hebt, eigenlijk.
Werkt het inderdaad zo? Of ga jij ook door tot snot voor de ogen?
Liefs!
Merel
Merel!
Regelmaat is een gedoe, maar ook een zegen. Niet alleen in kerkelijk opzicht. Hoe vaak ben ik niet naar een voetbaltraining gefietst terwijl ik eigenlijk geen zin had? Na afloop was mijn hoofd weer leeg, en voelde ik me fitter. Waarom hebben mensen een abonnement op de schouwburg? Omdat ze dan gaan. Oppas, haastig eten – allemaal gedoe – maar alleen als je gaat, kun je betoverd worden.
Ook naar de kerk ga ik soms omdat ik van mezelf moet. Maar juist op de dagen dat ik liever thuis blijf (omdat die ene wauwelende dominee voorgaat of omdat het bevestiging van ambtsdragers én avondmaal is en dus een dienst van anderhalf uur) word je geraakt door dat ene lied of een gesprek met iemand. Ik vind altijd iets in de kerk, al is het maar rust.
Er is van alles wat je in de greep houdt, schrijf je, en velen zullen dat herkennen. Hoe je meegesleept kunt worden in de maalstroom van alledag, en hoe machteloos je bent als meegesleepte, maar ook als nabije buitenstaander. Wat zou je soms graag iemand onthaperen, een zinvolle punt zijn, maar sommige stromen kun je niet keren.
Een credo dat ik van huis uit heb meegekregen, en dat ik je denk ik ook wel eens voorgelegd heb, is ‘laat los, en gij zult losgelaten worden.’ Niet geheel toevallig is het een Bijbelcitaat – Lucas 6, vers 37. (Je moet wel een oude vertaling pakken. Tegenwoordig staat er ‘vergeef, en je zult vergeven worden’ – het loslaten is losgelaten.) Dat juist dit een les is die mijn ouders bij tijd en wijle aanhalen, komt doordat dominee Henk de Jong (de vaste predikant van de kerk van mijn jeugd) er ooit een preek over hield die veel indruk maakte. Mijn moeder viste die preek uit haar archief, en ik herlas hem met jou in gedachten.
Terecht wijst De Jong erop dat hij als dominee niet weet wat voor krachten en gedachten er in iemands leven kunnen spelen, en dat het ‘laat los’ gemakkelijk gezegd is. ‘Maar’, zegt hij dan, ‘wie zegt dit tegen u? De dominee? Of stuiten we hier op het heel bijzondere van de zondagse preek? Daarin is niet een goedbedoelende pastor aan het keuvelen of een begrijpende hulpverlener aan het kakelen, maar daarin komt de Here zelf aan het woord. Want een preek is pas een preek omdat er een tekst achter staat, het woord van een ander, het Woord van De Ander!’
Ik geloof niet dat de kerk het alleenrecht op dat ‘heel bijzondere’ heeft, maar wel dat er in de kerk iets bijzonders plaatsvindt. Zoals de schouwburg meer dimensie heeft dan Netflix, zoals in het stadion meer gebeurt dan in dezelfde wedstrijd op tv, zoals een vriendin omhelzen meer diepte heeft dan haar een sms’je sturen.
Lukt het mij altijd om los te laten? Zeker niet. Zoals ik ooit in een liedje schreef: het hert dat naar het water smacht drinkt niet alleen uit rimpelloze vijvers. Op het eind van zijn preek schrijft Henk de Jong: ‘In zekere zin bent u in de kerkdienst ook in therapie.’ Daar is wel wat op af te dingen (en hij zegt expliciet dat hij de Heiland niet tegen de dokter uit wil spelen), maar er zit voor mij zeker iets van uitwaaien in de kerkgang – geestelijke neusspray voor de volle holtes. Als het snot voor de ogen weg is, kun je elkaar weer zien, en daar gaat het om.
Dus ja, zondag ga ik weer. Jij zult ondertussen, vrij van snot hoop ik, een boek lezen, een wandeling maken, een museum bezoeken, stil zijn – iets doen waar evengoed dat heel bijzondere te vinden valt.
Liefs!
Jan
Lieve Merel,
Op woensdag lees ik vaak het hoofdredactioneel commentaar in het Reformatorisch Dagblad. Onze dochter heeft op die dag muziekles, en omdat de bibliotheek in hetzelfde gebouw zit, ga ik daar onderwijl aan de leestafel zitten. De bibliotheek heeft een abonnement op alle kranten en de grote landelijke titels zijn meestal in gebruik. De enige krant die altijd beschikbaar is, is het Reformatorisch Dagblad, en daarom lees ik die.
Dat is dan overigens het exemplaar van dinsdag, want het RD is de laatste avondkrant in dit land. Gelukkig zijn de principes van die krant op zulke eeuwenoude geschriften gestoeld dat die ene dag achterlopen ook niet meer uitmaakt. ‘De actualiteit verandert. De Bron niet.’ Aldus het motto op hun site. Het voordeel van die traditie is dat het steevast uitmuntend geschreven bijdrages zijn, met taal waar je op kauwen kunt. De keerzijde is dat het me inhoudelijk niet zelden doet hoofdschudden.
Een paar weken geleden ging het over de vrijheid van onderwijs. Ik las: ‘De fracties van GroenLinks-PvdA en VVD stelden zich weinig verdraagzaam op. Ze wilden niets weten van scholen die homoseksualiteit afkeuren en hun eigen religie als de enige ware zien.’ Bijna hallucinant vind ik dat – dat je een ander een gebrek aan verdraagzaamheid verwijt, en zelf geen verdraagzaamheid voor homoseksualiteit opbrengt. Maar, vermoedelijk zou het RD mij nu corrigeren, en zeggen dat hun houding rondom homoseksualiteit niet om verdraagzaamheid, maar gehoorzaamheid draait – gehoorzaamheid aan de Schrift.
Het punt van het commentaar betrof de VVD-motie die ingediend was, waarin stond dat artikel 1 van de grondwet (gelijke behandeling) voorrang moest krijgen op artikel 23 (vrijheid van onderwijs). Burgerschap moet boven levensbeschouwelijke richting gaan, aldus de indieners. Dat valt te betwisten, aldus de krant: ‘Staatkundig bezien staat artikel 1 niet boven artikel 23 en staat artikel 23 niet boven artikel 1.’ Daar heeft het RD gelijk in – al had ik hetzelfde ook in deze krant kunnen lezen in het commentaar van Sjirk Kuijper.
Ik kauw nu vooral op dat andere zinnetje: de Bron (verandert) niet. Is dat zo? Als bij ons in de kerk iemand gedoopt wordt, mogen de kinderen naar voren komen. Niet alleen om het goed te kunnen zien, maar ook om vóór het dopen in het water te blazen; het is immers levend water waarmee we dopen. Maar als het water levend is, dan kan de Bron toch niet onveranderlijk zijn? In de Bijbel beweegt God ook regelmatig met de mensen mee – Abraham onderhandelt zelfs met God over Sodom. God heeft een plan, maar ook een oor.
Het wonderlijke is: ergens ontroert het conservatisme van het RD me ook. Ik kan me totaal niet in hun standpunten over vrouwen, homoseksualiteit of Israël vinden – die ontroeren me niet, maar wel de mensen die vasthouden aan dat Woord. Daarom lees ik hoofdschuddend door: omdat ik die mensen wil begrijpen. En misschien ook omdat het ergens in mij knaagt: ben ik niet te vrij geworden? Anderzijds: ik kán niet één religie als ‘de enige ware’ zien. Geloof is geen wiskunde die eeuwig vaststaat.
Ik heb jou in de afgelopen jaren een paar keer horen zeggen, als we het over religieuze en spirituele stromingen hadden, waar jij in het kader van je studie veel over nadenkt: ‘er is één bron’ – je zei het met kleine letter, denk ik. Ik geloof je heel erg, als je dat zegt. De wereld is dit nieuwe jaar verdeeld ingegaan – ik snak naar de verfrissing van één bron. Kun jij daar eens uit inschenken, en iets over dat water zeggen?
Liefs!
Jan
Jan!
Vraag je me nou echt om bij de start van dit nieuwe jaar, mijn buik nog vol van de opgewarmde oliebollen, in de kwaliteitskrant voor christelijk Nederland de betekenis van de Bijbel als enige Bron te relativeren? Ik ben wel eens ontspannener het jaar in gegaan, moet ik zeggen.
Tegelijk is het een vraag die me aan het hart gaat. De onderwerpen die je aanhaalt, het Gelijk dat daarin geclaimd wordt, maar het meest: de toe-eigening van dat wat bij uitstek door niemand bezeten of bevat kan worden: onze relatie met het grote mysterie. Ik voel dus zowel aarzeling als noodzaak om je te antwoorden. Ik geef je nadrukkelijk míjn antwoord; het laatste wat ik wil is pretenderen dat ik wel de waarheid in pacht zou hebben.
Sinds ik je brief las, blijf ik maar denken aan de laatste regels van Hendrik Marsmans beroemde gedicht Herinnering aan Holland: ‘en in alle gewesten / wordt de stem van het water / met zijn eeuwige rampen / gevreesd en gehoord.’ Als je te maken hebt met iets wat je vreest en niet kunt beheersen, dan ligt (proberen te) gehoorzamen voor de hand. Zelf heb ik, wanneer ik bang ben voor wat buiten mijn macht ligt, meer affiniteit met een net andere houding: toevertrouwen.
Ik geloof inderdaad dat er één bron is. Ik denk dat ik daarmee deel uitmaak van een ruime en diverse meerderheid van de wereldbevolking, want wat ik bedoel is: ik geloof dat we met z’n allen in één werkelijkheid leven. We zijn allemaal opgenomen in hetzelfde grote en mysterieuze geheel, het stroomt door ieder van ons heen. Of we nu een berglandschap zijn vol kabbelende beekjes, een klif met kolkende watervallen, of een oneindig laagland met trage rivieren, het water is deel van dezelfde kringloop. Ieder van ons ontwikkelt zich onder invloed van de stroming, en van wat we in ons leven tegenkomen aan weer, wind en getij. En hoewel we op allerlei grote en kleine momenten glimpen opvangen van het mysterie in onze diepten, en we ons daar allemaal toe hebben te verhouden, kunnen we geen van allen voorbij onze eigen horizon zien.
In de loop van de geschiedenis hebben mensen in verschillende omstandigheden verschillende woorden weten te geven aan hun gevonden routes naar en kennis van het mysterie. Sommige van hun teksten zijn doorgegeven in de religieuze en spirituele tradities. Ik geloof dat al die mensen het vanuit hun eigen gezichtspunten (met de bijbehorende eigen blinde vlekken, dode hoeken en uitzichten) over dezelfde grotere werkelijkheid hebben gehad. Dat betekent niet dat al die teksten even waardevol zijn voor elke ontvanger. Het ene landschap is het andere niet; je kunt alleen de stroming volgen daar waar je bent. Het is dus zinvol te onderzoeken welke bronnen (kleine letter) je helpen navigeren in jouw binnenwereld. Welke stroming de jouwe is.
We gaan het hier nog verder over hebben natuurlijk. Eén brief is veel te kort, en het jaar verheugt zich op meer ongemakkelijke ondernemingen. Ik wil je vragen naar jouw gehoorzaamheid en vertrouwen, en ik moet je spreken over niet-weten als kompas (het komt veel voorbij!) ten opzichte van dat uitgesproken wel-weten van de conservatievere stromen. Maar laat ik voor nu afsluiten met een vraag die op allerlei plekken in verschillende vormen terugkomt, en die mij richting geeft wanneer ik dreig te verdwalen: Wat zou Liefde doen?
Dat lijkt me in elke omgeving een goed startpunt voor 2026.
Liefs!
Merel
Lieve Jan,
Vorige maand schreef je me over conservatief geloof, over zekerheid en gehoorzamen. En tussen neus en lippen door over je verstopte knaagje, ondanks al je bezwaren: ben ik niet te vrij geworden? Ik schreef je terug over het grote mysterie, over de Bron en wegwijzende bronnen, en over het kruimelspoor waar ik naar zoek als ik de weg dreig kwijt te raken: de vraag wat Liefde zou doen. Maar wat ik me sinds je brief blijf afvragen: kan een mens te vrij zijn? Het is eng om vrij te zijn, maar juist onvrijheid is gevaarlijk, lijkt me.
De zestiende-eeuwse mysticus Johannes van het Kruis, heiligverklaard door de katholieke kerk (ik weet het: dat is niet in alle kringen een aanbeveling), vergeleek de ziel met een reiziger. Om werkelijk ergens te komen moet die haar vertrouwde paden verlaten en onbekende wegen betreden. Juist als je het niet meer weet, juist als je het uitzicht al tijden niet meer herkent en denkt dat je verdwaald bent, ben je volgens hem dus op jouw goede weg. Doodeng, eenzaam, maar noodzakelijk en onvermijdelijk. Of zoals Herman de Coninck een stuk recenter dichtte in ‘De Plek’: ‘Je moet niet alleen, om de plek te bereiken, / thuis opstappen, maar ook uit manieren van kijken.’ Dat opstappen vraagt moed en een zekere (al dan niet gedwongen) beweeglijkheid. Mensen gaan in het algemeen pas écht op reis als er iets ontregelends gebeurt dat scheuren maakt in het vertrouwde: bijvoorbeeld een sterfgeval, een ontslag, of een verliefdheid.
De intuïtie dat we ons te ontwikkelen hebben in het leven, en dat dat via onbekende wegen gebeurt, komt overal ter wereld en in alle tijden terug. Het is de grondstructuur van bijna alle verhalen die we elkaar vertellen. De mystici uit verschillende tradities, maar ook bijvoorbeeld de boeddhisten, benadrukken daarbij het belang van loslaten van alle (zogenaamde) zekerheden, en je in vertrouwen overgeven aan de weg, het Leven, of God. Anderen hameren juist op trouw aan het vertrouwde: gehoorzaamheid. Beide groepen gebruiken verwarrend genoeg het woord ‘geloven’. (Ken je dat, die mix van verontwaardiging en gêne die je kan overvallen als je je realiseert dat je een term al jaren verkeerd begrijpt? Ik had dat ook toen ik er op mijn tiende achter kwam dat Frank Rijkaard een naam was en geen nationaliteit.)
Ik ben veel onderweg geweest de afgelopen maanden, en nu ik weer thuis aan het landen ben is nog altijd alles anders. Ik merk hoe ik naar houvast zoek in dit nieuwe landschap; in muziek, in gewoontes, in mijn lievelingsontbijt uit mijn nieuwe favoriete kommetje. Ik strooi kruimels en slijt paadjes uit, maar zolang het nog niet vertrouwd voelt moet ik het hebben van mijn vertrouwen in de weg. In mijn geval is het de liefde die vertrouwen geeft, en kan ik trouw zijn aan een weten in de diepte. Ook teksten zoals die van Johannes en De Coninck geven mij wat lichtjes in het donker: blijkbaar hoort het, als ik me verdwaald voel. Blijven lopen maar.
Maar misschien is het voor jou iets anders. Je sluimerende vraag over te vrij zijn suggereert dat je meerdere leidraden hebt, de één wat bindender dan de ander?
Ik ken je als een trouw mens, maar ook als nieuwsgierig en levenslustig, en als een vrije denker. Hoe doe jij dat eigenlijk, als je de weg niet weet?
Op welk vertrouwen vaar jij, en waaraan ben je trouw?
Liefs!
Merel
Merel!
Ik was als kind te veel een voetballiefhebber om me in Frank Rijkaard te vergissen, maar ik heb dan weer jarenlang gedacht dat Knooppunt een plaatsje vlakbij Hoevelaken was, dus ik begrijp je. Knooppunt Hoevelaken (A1xA28) is een klaverblad trouwens, wat betekent dat je vanuit alle richtingen alle kanten op kunt. Dit in tegenstelling tot bijvoorbeeld Everdingen (A2xA27), dat een onvolledig knooppunt is: als je vanuit het noorden aankomt over de A2 kun je niet de A27 naar het noorden op, of vice versa. Ik wil maar zeggen: er is als reiziger niet altijd een terugweg.
Het klopt dat ik trouw en nieuwsgierig ben, en vooruit, die levenslust snap ik ook, als het gaat om houden van dit leven. Maar ik ben geen avonturier. Ik ben een bange man. Ik beleg niet. Ik gebruik geen drugs. En ja, ik ga op fietsvakantie, maar in een land waar ik de taal spreek. Ik lig al wakker als ik weet dat ik de volgende dag met de auto door Luik moet. En dan heb ik het nog niet over alle intrusies die mij plagen. Die angsten worden er met de jaren niet minder op.
Die knooppunten van de geest vragen om een ander soort tomtom. Net als jij navigeer ik daarbij op vele kleine handreikingen door anderen gedaan. Van Johannes van het Kruis (gevalletje omen est nomen denk ik) had ik nog nooit gehoord, maar de heiligen die als lantaarns langs mijn wegen staan heten onder andere Emily Dickinson (To make a prairie it takes a clover and one bee, / One clover, and a bee. / And revery. / The revery alone will do, / If bees are few. ), Kees Torn (‘Ik zou mijn leven ervoor geven om niet dood te hoeven gaan’), Daniël Lohues (Elk mens die hef zich ’n kruus te dragen / Opzich bennen die kruuzen precies eben groot / ’t verschil is, de iene hef der iene van piepschoem / en de ander die hef ‘m van lood), Babs Gons (‘dat is wat ik eigenlijk wil zeggen / over de liefde / dat ik er geenszins ongeschonden uit wil komen’) – de lijst is veel langer.
Als ik zoek naar een gemene deler, vind ik die in de woorden van Jurrian van Dongen, die in zijn lied ‘De mooie dingen’ ooit schreef ‘dat het in het leven om twee zaken gaat: de liefde te herkennen, vroeg of laat, en onderweg de mooie dingen aan te wijzen’. Jurrian heeft, net als ik, een protestantse achtergrond. Ergens in hem, of in elk geval in zijn troostrijke werk, echoot het vangnet van psalm 138, hier geciteerd in de berijming van Willem Barnard: ‘De Heer is zo getrouw als sterk / Hij zal Zijn werk / voor mij voleinden.’
In die woorden vind ik mijn belangrijkste vertrouwen: dat het voor ons voleind zal worden; dat het niet in onze handen ligt. Die grondtoon houdt mij gaande. In de kerk van mijn jeugd kon je in dat opzicht zeker ‘te vrij’ zijn; ik herinner me hoe er vaak gebeden werd voor mensen die hun dierbaren waren verloren ‘aan de dood, of aan het leven’. Als ik bang ben om te vrij te zijn, dan moet je dat zien in de context dat ik ooit geleerd heb dat voor ons zondaars ons enige behoud in Christus is, in Zijn dood aan het kruis.
Zoals ik je vorige keer schreef: bij dat ‘enige’ heb ik mijn vraagtekens. Maar dat ik het uiteindelijk niet zelf hoef te dragen – behalve dan dat piepschuimen kruis – staat overeind. En dat de Liefde die jou gidst, ook op mijn pad is gekomen. Als ik écht bang ben, en ik de angsten niet met mijn verstand de baas kan, heb ik jou om mee te praten, en mijn vrouw, die mij altijd rustig krijgt. Ik gun ieder mens iemand bij wie je niet ongeschonden hoeft te zijn.
Liefs!
Jan
Merel!
Zoals je waarschijnlijk weet huil ik makkelijk om sportprestaties. Naarmate ik ouder word, steeds meer. Schotel mij beelden voor van Feyenoord dat de UEFA Cup wint, Ellen van Langen die goud haalt, of Leemarvin Bonevacia die juicht voor zijn estafettecollega’s, en de tranen stromen. Die tranen komen vooral als het prestaties zijn waar niemand op rekent, als de outsider toch wint. Onverwachte genade. Voor Jutta Leerdam en Xandra Velzeboer heb ik óók hard gejuicht, maar zij waren favoriet.
Mijn geschiedenis van natte wangen kreeg een nieuwe dimensie aan het eind van de Spelen. Want nog nooit huilde ik zo veel en lang als om het goud van Antoinette Rijpma-De Jong, die de 1500 meter won. Dat heeft alles te maken met haar geschiedenis: zij is als kind jarenlang gepest. Om haar rode haren. Rode haren die ze, vertelde Ireen Wüst, als jonge schaatsster zwart verfde om maar niet rood te zijn. Rode haren waarmee ze na schooltijd werd opgewacht door klasgenoten, die haar fysiek en mentaal beschadigden. Die rode haren stonden, ongeverfd en glanzend, nu op de hoogste trede. Het voelde alsof alle kinderen die ooit gepest zijn, met haar mee het podium op mochten.
Ik ben een van die kinderen. 43 jaar oud inmiddels, maar tien jaar lang ben ik gepest. In die jaren kwam ik bij de schoolpsycholoog, spraken juffen bestraffend de rest van de klas toe, waren er klasgenoten die goedbedoeld advies gaven dat ik me misschien anders moest gedragen, liep ik alleen door de gangen. Ik leefde erdoorheen, vond uiteindelijk in de toneelgroep van de middelbare school een plek waar ik mezelf mocht zijn, en ik had gelukkig liefdevolle ouders.
Maar nooit heb ik erom gehuild. Tot die 1500 meter. Toen kwam alles eruit, maar: het was geen zelfmedelijden. Ik ben en vind mezelf niet zielig – ik heb een geweldig leven met prachtig werk en niets dan liefde om me heen. Het waren tranen van geluk. Dat zij, Antoinette, en wij, de gepesten, uiteindelijk gezien worden.
Hier ligt natuurlijk een parallel met het geloof. Verloren zonen, misdadigers, tollenaars – in de Bijbel is er verlossing voor hen. De mens met al zijn onvermogen wordt gezien. Mag uiteindelijk mee het podium op. Die verlossing hoeft niet via kruis en erfzonde; er zijn miljarden mensen in de wereld die zonder weet van Bijbel of welk geloof dan ook, gewoon uit medemenselijkheid hun naaste zien. Het christendom heeft geen monopolie op het goede. Het verklaart misschien wél waarom dat geloof van mijn jeugd me zo ontroert, omdat het een plek biedt voor wie buiten de boot valt. (Uit naam van dat geloof zijn helaas ook velen genadeloos buiten de boot geduwd.)
Een paar weken voor de Spelen presenteerden Bontenbal, Jetten en Yeşilgöz hun regeerakkoord. Toen Yeşilgöz de vraag kreeg met welk resultaat ze het minst tevreden was, zei ze dat ze liever nog meer op ontwikkelingssamenwerking bezuinigd had. Dat maakt me zo giftig. Dat je het toch bij de allerarmsten van de wereld wilt halen, terwijl je de rijken in je eigen land spaart. Ik moest denken aan het lied God Help the Outcasts, uit de Disneyfilm The Hunchback of Notre Dame. Esmeralda, vrouw uit de Romagemeenschap van Parijs, zingt daarin
God help the outcasts, hungry from birth
Show them the mercy they don’t find on earth
God, help my people, we look to you still
God, help the outcasts or nobody will
We gaan deze maand weer naar de stembus. Hoe zorgen we nu dat deze medemenselijkheid bovenaan ieders agenda komt, en niet de eigenmenselijkheid? Jij bent veel breder belezen dan ik, Merel, zeker als het op spiritueel vlak aankomt. Wat zou nu een gemene deler kunnen zijn, die mensen het licht doet opgaan dat we er voor elkaar moeten zijn? Heb jij op je ontdekkingsreis door de wereld van het hogere niet ergens een levensles opgedaan die ons verbinden kan?
Liefs!
Jan
Lieve Jan,
Ik dacht niet dat ik dit ooit zou voorstellen, maar zullen we een keer iets sporterigs kijken samen? Ineens voel ik dat ik iets wezenlijks gemist heb, deze Spelen, en niet alleen de intense verveling die ik als kind ervoer wanneer het schaatsen op stond. Aan de andere kant: met jou is waar dan ook het ontroerende en vrolijke achter de dingen te zien, komen overal de liedjes tevoorschijn. Doe mij misschien dan toch een gedeeld bankje in de lentezon.
Ik wist het natuurlijk, van die sportliefde, maar ook van het pesten. Je benoemde het zestien jaar geleden al, kort en opgeruimd, om uit te leggen waarom je ondanks mijn toenadering maar bleef denken dat ik niet écht op je vriendschap uit kon zijn – maar het breekt opnieuw mijn hart. Wat had ik dat jochie van toen een pantser gegund, bescherming tegen de hardheid en lelijkheid in zijn klas. En wat is het tegelijk een enorm geluk dat je nog altijd ongepantserd door het leven gaat, er met al je zachtheid doorheen hebt weten te leven. Dat je verwondering, je poëzie en je tranen om de outcasts toegankelijk zijn gebleven, voor jou en voor iedereen die met je te maken heeft. Zo veel mensen sluiten hun kwetsbaarheid en eigenheid op, in veilige harnassen van maatschappelijke verwachtingen, zogenaamde onverschilligheid, stelligheid – ze zijn er in allerlei uitvoeringen. Zacht blijven vraagt moed, die lang niet iedereen vinden kan.
Voor de levenslessen waar je naar vraagt hoef jij niet ver van huis. Zeker, in alle spirituele tradities spelen barmhartigheid en compassie hoofdrollen, er is overal prachtigs te vinden. Maar de bemoediging voor wie voor zachtheid kiest ligt voor het oprapen in de evangeliën. De Bergrede, de barmhartige Samaritaan, en vooral het voorbeeld dat Jezus zelf geeft: het biedt allemaal houvast voor wie (ondanks de dreiging van uitsluiting en pesterij) zachtmoedig durft te zijn. En zo het moois in de wereld tevoorschijn brengt.
In november 2023 deden de toenmalige landelijke lijsttrekkers een wedstrijdje Torentje bouwen met elkaar, in het Jeugdjournaal. Dilan Yeşilgöz speelde vals, terwijl de kinderen van Nederland (en hun ouders) naar haar keken. Ze zag de mensen om zich heen niet meer, en mogelijk ook zichzelf niet. Ze zag alleen de winst, die eigenlijk zo weinig waard was. Haar pantser van moeten winnen won het van haar sportiviteit, van haar respect voor haar tegenspelers en van het besef een voorbeeld te zijn. Ik ben geen sportkijker, maar hier herkende ik een grove schending van de Olympische gedachte, en van wat er nodig is om een zachtmoedig leider te zijn.
Ik zal me niet wagen aan stemadvies, ik wil noch mezelf, noch anderen een harnas in jagen. Maar wat ik iedereen in Nederland zou willen toefluisteren: wees alsjeblieft zo moedig je pantser buiten het hokje te laten. Stem zacht.
Liefs!
Merel
Jan!
Af en toe denk ik, als er tijdens het avondeten gekibbeld, gehaast of met eten geschoven wordt: was ik maar christelijk. Dan hadden we teksten, liedjes en rituelen, en dan was het samenzijn met onze twee bijna-pubers vol harmonie, diepgang en dankbaarheid. De dialoog ‘Hoe was het op school?’ ‘Leuk’ zou veel langer duren en mijn behoefte aan Goede Gesprekken zou continu worden bevredigd. Perfect.
Aan de andere kant: laatst dacht ik in de supermarkt de ouders van een schoolvriendin te zien. Hoe aardig ik deze mensen ook altijd heb gevonden, ik wilde onmiddellijk achter de paasdisplay duiken en mijn gestreepte capuchon over mijn hoofd trekken. Ook nu, na bijna dertig jaar, overviel het me weer: schaamte. Want ooit, als puber, kreeg ik de slappe lach aan hun eettafel.
Na de maaltijd en de vla werd in dit keurige gezin, waar toch al alles anders ging dan bij mij thuis, een boek met bijbeloverdenkingen voor kinderen tevoorschijn gehaald. De vader des huizes las gedragen voor, en ik voel nog hoe de sperzieboontjes vast kwamen te zitten in mijn maag. Schrik. Ik wist natuurlijk dat dit een boek met grote betekenis was voor de mensen bij wie ik was aangeschoven. Maar ik had geen idee wat er van mij verwacht werd in deze context. Moest ik ook ineens geloven? Of uit beleefdheid doen alsof? En hoe dan, om ernstig en geloofwaardig genoeg te zijn? Ik wierp een voorzichtige blik op het andere bezoekende vriendinnetje naast me, zag in haar uitdrukking mijn eigen benauwdheid weerspiegeld, en deed wat opgelaten tienermeisjes doen: giechelen. Ik schrok opnieuw, nu van mijn eigen oneerbiedigheid, probeerde het goed te maken, werd ongemakkelijker en ongemakkelijker en rolde uiteindelijk, met het andere bezoek, onder de tafel van het lachen. Verschrikkelijk. Ik heb de ouders nooit meer zonder rode wangen kunnen aankijken.
Dat soort scenario’s wil ik ook weer niet, aan onze tafel nu. Voor geen van de betrokkenen.
Terugkijkend besef ik dat ik er destijds vanuit ging dat ik alleen aan het Bijbellezen mee kon doen als ik een deel van mezelf buitenspel zette. Ik nam aan dat mijn verwarring, vragen en van huis meegebrachte scepsis hier niet bij mochten zijn, maar ik wist niet hoe ik ze kon lozen. Mijn angst om niet te voldoen hield me weg bij het moois dat misschien gedeeld had kunnen worden. Nu ik (de) ouder ben, zou ik juist het omgekeerde met zo’n ritueel willen bereiken: dat precies dat wat we in stilte bij ons dragen een plek krijgt aan tafel, en dat we allemaal volledig aanwezig kunnen zijn. In plaats van op te leggen, heb ik daarom te verwelkomen. Weten, voelen, zeggen: het is goed dat je gekomen bent. Of dat nu tegen mijn kinderen, onze gasten of onze bezwaren en worstelingen is. Hoe graag ik ook vrede op aarde en aan tafel wil; als ik het probeer af te dwingen sluit ik buiten waar ik naar verlang.
Dus we zoeken en proberen. Ik test weer eens een nieuwe vraag, ze maken nog wat ruzie, we laten elkaar liedjes horen en ruimen samen af voordat we thee drinken op de bank. Ik ontvang hier en daar een eyeroll als ik ze te ernstig aankijk, en wanneer ik in de verleiding kom een gedicht voor te lezen is de kans groot dat er iemand onder de tafel ligt te schuddebuiken door een grap. Welkom, alles. Probeer ik in ieder geval.
Wat helpt jou te verwelkomen?
Liefs!
Merel
Merel!
De slappe lach is een van de raadselachtigste formules uit het humorvak. Net als noorderlicht en natuurijs kun je hem niet op bestelling krijgen. Je kunt wel elke avond heel goed doen alsof – Richard Groenendijk is hier een meester in – maar een échte slappe lach is een niet voor te produceren cocktail van onverwachte gebeurtenissen, in combinatie met vertrouwen en ontspanning. Letterlijk, voor wat dat laatste woord betreft: er wordt een spanning ontladen, zoals jou en je vriendin aan die keukentafel overkwam.
Een doodenkele keer gebeurt het me in de schouwburg ook. Ik herinner me een vrouw in Hendrik-ido-Ambacht die tijdens de voorstelling haar telefoon opnam en gewoon een gesprek begon, even later gevolgd door een jongen die over het toneel heen lopend de zaal verliet. ‘Wat ís dit voor avond?’ zei ik vrolijk-verbijsterd, om vervolgens bij de inzet van het volgende lied half in de lach te schieten. Tom, mijn muzikant, ging meteen ook voor de bijl. Dat is die vertrouwenscomponent: als je elkaar vertrouwt, herken je het loslaten van de spanning.
Ik bewaar buitengewoon goede herinneringen aan de paar keer dat bij ons thuis vroeger de slappe lach ontstond tijdens het bidden. Meestal als mijn moeder bad en mijn zussen of ik een lach niet meer wisten te onderdrukken, omdat bijvoorbeeld in een van de vaste formuleringen die in het dagelijkse gebed kunnen sluipen, toevallig iets voorbijkwam wat net in een andere context de revue was gepasseerd. Als mijn moeder het dan ook niet meer kon houden, ja, dan was de boot aan. ‘Vader, we laten het hier maar bij’, kon mijn moeder dan nog uitproesten. Veel dichter bij ‘waar liefde woont, gebiedt de Heer zijn zegen’ zijn we in gebed misschien wel niet gekomen.
Jij vertelde me ooit dat je ’s avonds aan je kinderen wel eens vraagt ‘wat is iets waar je blij van werd vandaag?’ Dat doe ik sindsdien ook! Iedere handeling waarin je met elkaar verbonden bent – een film, een lied, een gesprek, een gedicht en zelfs een ruzie, tot op zekere hoogte – is er één. Maak je trouwens niet te veel illusies over de automatische verbinding in christelijke gezinnen. Natuurlijk zijn er rituelen, maar die kunnen ook met zoveel chagrijn ondergaan worden, dat ze hun doel voorbijschieten. Al kon een gebed wel voor stilte zorgen – ik weet nog hoe een van onze oppassen in de kakofonie voor het eten eens verzuchtte: ‘Jan, bid maar lekker lang, dan is het tenminste even stil.’
Wat een goed idee van je om kinderen niet in een stramien te drukken aan tafel, maar om ze zich juist welkom te laten voelen. Ik ga dat ook meer doen. Ik probeer het al, buiten de maaltijden. Door ze te wijzen op een ijsvogel. Door met ze naar de bloesem te kijken. Door stil te staan bij de restanten van de oude sluis vlak bij ons huis, en uit te leggen hoe het dorp vroeger grotendeels over het water bevoorraad werd. Door te laten zien hoeveel moois er in de wereld is. Dat is denk ik hoe ik verwelkom. En ook dat is een gebed: een moment van samenzijn, gericht op het mooie en goede. In het samenzijn zit de vervulling.
Dat lukt natuurlijk lang niet altijd. Je krijgt wel eens een eyeroll te verstouwen. Maar gedenk het mosterdzaad: dat kan ook na jaren droog bewaren ineens ontkiemen. Tot die tijd geldt: koester elke slappe lach.
Liefs!
Jan
Merel!
Mijn hele leven krijg ik het commentaar dat ik te veel ‘in mijn hoofd’ zit. Als jongen op het voetbalveld (‘Jan! Niet denken! Doen!’) en later in mijn theateropleiding: ‘Je zit niet in je lijf’. Ik kreeg de opdracht daar iets mee te doen, dus ik schreef er een liedje over, waar onder andere in stond ‘dat hartstocht niet altijd een kwestie van zingen / of luid van de daken opdringerig is / maar ook in gedachten en woorden kan rijpen. / Of heb ik het mis? Of heb ik het mis?’
Toen ik het voorlas in de les, aan de docent die mij de opdracht had gegeven, zei ze: ‘Wil je echt weten wat ik ervan vind? Dít vind ik ervan!’ en ze pakte mijn blaadje dat ze ten overstaan van al mijn klasgenoten verscheurde. Wat ze bedoelde te zeggen: nu heb je wéér alles in taal gevangen.
Didactisch niet optimaal – het zou je tegenwoordig een schorsing opleveren – maar ze had wel gelijk. Ik was me in die jaren amper bewust van mijn lijf. Fysieke relaties had ik niet met mensen, want knuffelig was ik niet. Ik had ook nog nooit met iemand gezoend, laat staan dat ik seks had gehad. Ik was een wandelend hoofd. Pas jaren later kon ik voelen wat de docent toen bedoelde.
Dat hoofdelijke kenmerkte ook de kerk waarin ik opgroeide. ‘Het woord is vlees geworden’ schrijft de evangelist Johannes over Jezus die naar de aarde is gekomen, maar het gold ook voor de diensten van mijn jeugd: alles gebeurde in de taal. Niet dat ik dat erg vond: die taal was prachtig. Maar ik maakte ook de opkomst mee van de van meer evangelische liederen, er kwamen mensen in de kerk die tijdens het zingen hun hand naar de hemel hieven, die amén zeiden, in plaats van ámen. Daar werd soms lacherig en neerbuigend over gedaan, maar met de kennis van nu denk ik: die mensen hadden een veel lijfelijker geloof. Ze voelen iets bij wat ze zingen, niet alleen op een intellectuele manier.
Maar ho, het is niet dat de klassieke psalmen-en-gezangenzingers niets voelen! De ene manier van geloven is niet beter dan de andere – iets waar beide kampen wel bang voor waren. Wat ik voel als ik zing ‘Gods goedheid is te groot / voor het geluk alleen’ is een poëtische explosie. Een verwoording van een geheimenis. Ja, zó is het, denk ik dan. Voel ik dan (denk ik). En toch: laatst was ik in een kerk waar een lied van Bethel werd gezongen: I raise a Hallelujah in the presence of my enemies / I raise a Hallelujah louder than the unbelief. Er zat popmuziek onder, en ik zag dat er mensen waren die zich daar fysiek aan overgaven. Ik snapte het beter dan vroeger.
De een houdt van een zorgvuldige, poëtische formulering, de ander wil het geloof fysiek ervaren. Dat mag naast elkaar bestaan. Onlangs had ik een prachtig gesprek met iemand die net als ik in de liturgiecommissie van onze kerk zit. Het ging over dat voelen. Wat is het verschil tussen wetend voelen en voelend weten?
Dat is jouw terrein. Jij hebt een haptonomieopleiding afgerond – gaat dat niet precies hierover? Ik probeerde na dat gesprek in de eerstvolgende dienst mijn lijf meer open te stellen voor wat ik zong. Dat lukte nog niet helemaal – ik voelde niet de euforie die een vol stadion je geeft, of de ontroering als je de eerste zwaluwen weer ziet. Terwijl het idee van de Vrede van Christus dat toch in zich heeft.
Het moet toch lukken om mij (meer) voor dat fysieke te openen? Of heb ik het mis?
Knuffel!
Jan
Ha Jan!
Ja, leuk! Ik kan je daar van alles over vertellen. Dat euforie, of welk gevoel dan ook, zich niet laat afdwingen, bijvoorbeeld. Dat iets anders voelen dan je hoopte niet betekent dat het voelen is mislukt, of dat er iets met jou aan de hand is. Dat voelen net als kijken, luisteren, proeven is: een manier om de wereld waar te nemen, al doen we er in het geval van voelen vaak wat ingewikkelder over. Dat juist het moeten voelen van iets de boel nogal vast kan zetten. En dat jij en ik – en velen met ons – de neiging hebben om, als het spannend wordt, ons hoofd in te vluchten. Waar we druk zijn met allerlei gedachten, zogenaamd alles onder controle hebben, en eigenlijk het voelen maar een beetje aan zichzelf overlaten, onopgemerkt.
Ik zou daar dan heel wijs over willen doen, alsof dat alles voor mij verleden tijd is. Het allround verstandig mens én de haptonoom zijn die de lezers is beloofd: fulltime verlicht, kalm, vol inspiratie. Maar eerlijk is eerlijk: ook ik blijf zoeken. Elke keer opnieuw. Ik ben geen hoofd op pootjes meer, mijn lijf is bewoonder dan het ooit was, de paden naar mijn voelen zijn veel meer uitgesleten. Maar terwijl ik je schrijf trap ik er opnieuw in: juist mijn beeld van wat ik moet zijn en wat ik daarbij moet voelen, zet me op slot. Niks inspiratie, niks kalmte – om van verlichting nog maar te zwijgen. Een hoge ademhaling en een hoofd vol razende gedachten, dat is waarmee ik urenlang mijn brief aan jou probeer te typen. Ik heb het dus niet eens meteen in de gaten.
Je zegt dat je jaren na je opleiding voelde wat je docent bedoelde. Wat was voor jou daarin bepalend? Voor mij was mijn eerste zwangerschap het startschot. In eerste instantie uit het lood door mijn wazige hoofd en mijn vreemd voelende lijf, ‘begreep’ ik op een dag ineens wat me te doen stond: mijn kindje verwelkomen. En dus: daar zijn waar hij groeide. In mijn buik. Het was een openbaring en een cadeau dat ik zó in contact kon zijn met mezelf, het leven en de wereld, juist door met mijn aandacht mijn hoofd een beetje te verlaten. Verwelkomen, dat was de sleutel.
Nu vind ik verwelkomen makkelijker als het om een baby gaat dan bij gevoelens waar ik niet op zit te wachten. Bijvoorbeeld omdat ze niet passen bij het beeld dat ik van mezelf heb, of omdat ik denk dat voelen en sterk blijven niet samengaan (onterecht!), of omdat het gewoon zo overweldigend kan zijn, soms. De grap is alleen: houd je het ene gevoel tegen, dan komt ook het andere niet door en blijf je vastzitten in je hoofd. De sleutel blijft: verwelkomen.
Afgelopen week las ik Laat ons bidden van Randall Casaer (over poëtische explosies gesproken). In dit manifest beschrijft hij het gebed als oefening: ‘Ge vouwt handen, ge nijgt een kleine tikkel voorover, ge buigt mild het hoofd. Dan luistert ge. Niet per se met uw oren. En ge laat het zo stil zijn als ge kunt.’
En ja, dat is alles eigenlijk. Uit de weg gaan met al dat gedenk en gecontroleer. Luisteren (niet per se met uw oren). Zoals een musicus zijn gehoor traint door te luisteren, en een vinologe haar reuk door te ruiken, zo kunnen we allemaal steeds betere voelers worden door simpelweg aandachtig te voelen. Het mooie daarbij is: je kunt op elk moment opnieuw beginnen.
Dus voor de volgende keer: wat voel je wél tijdens de kerkdienst, al is het dan misschien geen euforie? Blijdschap, verdriet, verwondering, irritatie? Moet je plassen, is de kerkbank hard; heb je het koud, heb je haast? En wat nog meer? Welkom.
Daar begint het. Groter hoeft het niet te zijn. Sensationeel is het wel.
Knuffel!
Merel
Ha Jan!
Waarom ben jij eigenlijk wiskundige?
Ik bedoel: ik weet nog dat je afstudeerde, ik was er zelf bij. Maar hoezo, met dat associatieve hoofd vol anekdotes en poëzie, koos je voor die exacte studie? Begrijp me niet verkeerd: ik ben blij dat je het deed; ik had je er anders niet leren kennen. Zonder je wiskundige vorming was je lied over de laatste stelling van Fermat er daarnaast niet geweest, om over je tangenskraker nog maar te zwijgen. Ik vind het altijd stom als mensen de wereld opdelen in alfa’s en bèta’s. En toch. Waarom deed jij die studie eigenlijk?
Laatst betrapte ik mezelf erop dat ik in een voorstelrondje zei ‘oorspronkelijk ben ik natuurkundige…’ Het is een zinnetje dat ik ontelbare keren heb uitgesproken, maar ineens voelde het onzinnig. Alsof mijn leven pas begon toen ik mijn diploma op zak had, en daar niet al een kwarteeuw leven, denken, dromen aan voorafgegaan was. Alsof wat ik ‘oorspronkelijk’ was niet een onuitsprekelijk mysterie is. Alsof die natuurkunde me definieert.
Ik heb wel een vermoeden waarom ik, met mijn filosofische hoofd vol verhalen en intuïtief weten, koos voor mijn exacte studie, en eraan vasthield. Natuurlijk: ik wilde zo slim mogelijk worden, ik kon niet kiezen en koos iets breeds; ik heb een neiging tot grondigheid en dus werd het de moeder der wetenschappen. Maar wat zeker ook meespeelde: het was een toegangsticket tot de mannenwereld, een plek waar ik me moest en zou bewijzen. De natuurkunde verleent me sindsdien status en vertrouwen; steeds als een man me onderschat, kantel ik daarmee het beeld. Handig.
Maar ook wel wat beperkend.
Want toen ik met die bagage en vanaf die nerdy apenrotspositie haptonomie ging studeren, me verdiepte in systemisch werk, en als klap op de vuurpijl begon aan een opleiding tot geestelijk begeleider, voelde dat, naast volkomen logisch en steeds completer, ook een beetje stiekem. Gevaarlijk, bijna. Als mezelf tot gekkie verklaren, mijn imago van verstandig mens (al dan niet allround, zoals hier vaak in de intro staat) te grabbel gooien. Wat ik niet had voorzien toen ik als achttienjarige aan mijn studie begon, is hoe bepalend die zou worden voor het beeld dat anderen en ikzelf van mij zouden hebben. En hoe bepalend dat beeld dan weer voor mijn toekomstige zelf zou zijn. Dat ik jarenlang zou vergeten dat mijn oorsprong ergens anders ligt, en dat de impliciete geloofsbelijdenis van de bètawetenschapper – er is slechts wat wij kunnen meten – niet de mijne is.
Ik heb geen spijt van mijn studiekeuze. Ik heb er inderdaad scherp leren denken, en ik heb er fantastische mensen ontmoet. Maar ik heb inmiddels wel mijn bedenkingen bij het label ‘natuurkundige’. Het is me te groot, te dominant. Ik zal het zelf dat formaat gegeven hebben; dat hielp in de bewijsdrang. Inmiddels mag het kleiner, onopvallender, ergens in de diverse verzameling etiketten die nog meer op me te plakken zijn. Ze schieten allemaal tekort, al hebben ze allemaal hun nut. Zolang ik maar onthoud: mijn essentie past niet in een sticker.
Noem jij jezelf nog wel eens wiskundige? En hoe is dat nou toch eigenlijk gekomen?
Liefs!
Merel
Merel!
Lang geleden, steeds langer geleden is het, was ik een jongetje dat een fascinatie voor puzzeltjes had. Puzzeltjes van het kaliber ‘verplaats één lucifer, en maak dit kloppend’ of ‘verbind deze punten met zo min mogelijk rechte lijnen’. Ik deed op zeker moment ook met mijn vader mee als hij op zondag uit de kerk het Scrypto in NRC invulde. Ik weet nog wat de eerste omschrijving was die ik zelf oploste: ‘Hop. (5+2+2+8)’
In 6 vwo zei onze decaan tegen mij: ‘Tsja Jan, als je de hele dag puzzeltjes wilt oplossen, dan zit er maar één ding op: dan zul je wiskunde moeten gaan studeren.’ Hij wist waar hij het over had, want het was ook onze wiskundedocent. Wiskunde als studie was eerlijk gezegd nog nooit in me opgekomen. Ik vond het vak leuk, ik hield vooral van de meetkundeopgaven, maar ik blonk er niet in uit. Ik had hogere cijfers voor Latijn en Frans. Ik was dol op onze Fransdocent, maar die zei toen ik suggereerde of ik niet Frans moest studeren: ‘Dat is ook een heleboel saaie grammatica en andere ellende. Die boeken en de taal waar je zo van houdt, daar kun je ook zonder studie van genieten. Misschien wel meer.’
Ik ging naar de open dag van wiskunde. Mijn moeder – gezegend met vele talenten, maar wiskunde daarvan niet het grootste – ging mee. Terwijl wij uitleg kregen over vierdimensionale kubussen, zat zij naast me een boodschappenlijstje te maken, omdat ze er niets van begreep. Wat mij vooral bijstaat is hoe leuk al die docenten het vonden, wat ze stonden uit te leggen aan de scholieren. En ze zaten heel hard te lachen om elkaars praatjes. Het waren vakidioten, in de beste en vrolijkste zin van het woord.
Vergelijk dat eens met de twee uitgebluste docenten die mijn mondeling schoolonderzoek Nederlands afnamen. Ik moest ‘November’ van Achterberg analyseren. Ik kreeg een zes. Terecht, trouwens: ik begreep er amper iets van. De anekdotes en poëzie waar jij me mee associeert, daar had ik nog geen oog voor. Terwijl, in dat gedicht zit de strofe ‘De wereld heeft derde dimensie over. / Stakerig staan de bomen zonder lover.’ De wiskunde zat erin! Ik zag haar niet. De liefde van die wiskundigen zag ik wel.
Dus hup, naar wiskunde. Een vak dat overigens vol associëren en poëzie zit. Het gaat over waarheid, maar het grootste deel ervan bestaat helemaal niet in de werkelijkheid. (Misschien dat je daarom onder wiskundigen zoveel meer gelovigen vond dan bij natuurkunde: ze zijn gewend aan dingen die ze niet zien.) Ik was er niet goed in, maar ik hou ervan zoals een amateur van voetbal houdt. Ik die zin noem ik mij nog met liefde wiskundige.
Zijn wij mensen niet cumulatieve wezens? Een optelsom van onze jaren, gedachten, keuzes, liefdes, fouten en alles wat ons mens maakt? Sommige van die jaren bepalen je meer dan andere. Zoals je in het gezin waar je uit komt, vaak weer vervalt tot wie en hoe je daar als kind was – vandaar dat Kerstdiners met de familie zo ingewikkeld kunnen zijn: je bent allemaal veranderd, maar je wringt je met elkaar in een oude mal.
We veranderen, Merel. Goddank, zou ik willen zeggen – het betekent dat we leven. (Leven in de brouwerij – het antwoord bij ‘Hop’.) Je studeerde natuurkunde, maar het definieert je niet. Het zal wel altijd aan je kleven, hoezeer je ook niet op een sticker past. Het zegt iets over wie je was, en dus over wie je zult zijn. De kunst is in je leven mensen te vinden die in al die veranderingen met je mee durven en willen gaan. Weet dat ik de jouwe allemaal omarm.
Liefs!
Jan
Lieve Merel,
Bestaat de vrije wil?
Ik dacht: ik begin een keer met de vraag. Die komt niet uit de lucht vallen, maar uit het boek dat ik vanmorgen uitlas, terwijl ik je eigenlijk een brief moest schrijven. Het boek is zo goed dat je zou gaan geloven dat er geen vrije wil is: het boek wilde dat ik het las, dwars door alle deadlines heen. Wat ongezegd blijft heet het, geschreven door Elizabeth Strout (en vertaald door Lucie van Rooijen). Ik kan me recent geen betere roman herinneren.
Nu ik de titel opschrijf, zie ik hoe goed die gekozen is. Wat deel je met de mensen om je heen, en wat houd je geheim? Waarom is het soms zo moeilijk om te praten met mensen die je dierbaar zijn? Is het schaamte voor je verhaal? Angst voor de reactie? En hoe ga je de eenzaamheid te lijf die met het zwijgen gepaard gaat?
De vraag over de vrije wil komt ineens op in Artie Dam, de hoofdpersoon van het boek. Het is een vraag die veel mensen met een gelovige achtergrond bekend zal voorkomen, omdat die op gespannen voet lijkt te staan met het principe van de predestinatie – het idee dat in de schepping het doel van de dingen en de mensen al vastligt (maar ik vat het vast te kort door de bocht samen).
[Op deze plek was ik eigenlijk begonnen aan een verhandeling over de eerste vraag en antwoord uit de Heidelbergse Catechismus, dat zonder de wil van de hemelse Vader geen haar van je hoofd vallen kan, maar zo op de drempel van de zomer, in de dikke hitte van deze junidag stond het me ineens allemaal tegen, de in zondagse pakken gestoken, rechtop in stramme kerkbanken beleden serieusheid van dit alles – het haalde alles weg van de diepe menselijkheid die ik in het boek aantrof en die me zo raakte dat ik het in tienvoud wilde kopen en aan allemaal mensen cadeau wilde doen. Ik zal niet zeggen dat je de Bijbel gerust thuis kunt laten en alleen dit boek in je vakantiekoffer hoeft te doen, maar ik geloof dat ik het nu toch al opgeschreven heb, en ik ben ervan overtuigd dat dit boek veel dichter op de huid van deze tijd, en toegankelijker ook, precies dat belijdt waar de Bijbel in essentie op neerkomt, namelijk dat je je naaste lief moet hebben als jezelf. Ik weet niet zo goed, en mijn archief is te chaotisch om het na te zoeken, of ik je al eens schreef dat ik ooit aan de dominee vroeg wat je dan moest doen met je naasten als je jezelf haatte, en dat hij toen zei ‘dan moet je eerst van jezelf leren houden’ – ongeveer dat is waar Artie in het boek ook achter komt, en zodra hij dat doet, kan hij weer liefde uitdelen. En ontvangen – ergens op twee derde van het boek zit een scène die zo’n ontroerende (en meesterlijk geschreven!) illustratie van het begrip ‘genade’ is, dat je weet dat een mens die een ander mens echt ziet, altijd krachtiger zal zijn dan welk algoritme of meedogenloos regime ook.]
Een paar weken geleden belde ik je omdat ik met een probleem zat. Ik had iets onzorgvuldigs gedaan waar ik me voor schaamde, en jij luisterde, liet het bestaan, relativeerde wat, zag me. Laat niet ongezegd blijven hoe waardevol het is als je zulke mensen hebt in je leven. Dank je wel.
Het kan me geloof ik niet zo veel schelen of de vrije wil bestaat. Wij mensen bestaan, in al ons spreken en zwijgen, vermogen en onvermogen, leven en lot – daar gaat het om. Laat me daarom dit vragen: wat maakt ons eigenlijk mens?
Liefs!
Jan
Lieve Jan!
Jaren geleden alweer kwam ik op een zomers familiefeest aan tafel terecht met een verre nicht. Ik was benieuwd hoe het met haar en haar gezin ging en hoe ze haar langverwachte moederschap beleefde. In plaats daarvan praatten we zeker een halfuur lang over waar de waterpistolen van mijn kinderen vandaan kwamen en bij welke discounters er vermoedelijk ook buitenspeelgoed te vinden zou zijn. Er is zo veel ontroerends, prachtigs, verschrikkelijks en grappigs te vinden en te bespreken in de wereld. Maar wij vulden onze kostbare gezamenlijke tijd met een gesprek over de schappen van de Action, en het lukte me maar niet om daar voorbij te komen.
Wat het ook maar is dat ons mens maakt; eenzaamheid in gezelschap lijkt een soms onontkoombaar onderdeel van de beleving te zijn. In ieder geval voor mensen die zich, ook in de bloedhitte, ook tussen de rennende en spetterende kinderen, zelfs boven een plastic bordje met aardappelsalade, afvragen wat het betekent om moeder te zijn, en of er zoiets bestaat als de vrije wil. Soms lijkt de afstand tussen je binnenwereld en de buitenwereld simpelweg niet te overbruggen, hoe hard je het ook probeert. Het gesprek blijft maar bewegen rond feitjes en gekeuvel, en voor de diepte lijkt geen taal te bestaan die je allebei spreekt. Wat er echt toe doet, blijft ongezegd – ik vind dat moeilijk te verdragen.
Daartegenover staan momenten van onverwacht en daverend geluk; genade, zo je wilt. Deze week nog: mijn beste vriend kwam me op zomaar een maandagavond een boek bezorgen dat hem geraakt had. En in dat boek bleek ook nog die uiterst intieme ervaring van alleen-zijn tussen de mensen zó precies beschreven te zijn, dat ik wist: ik ben niet alleen. Zelfs in die eenzaamheid zijn we verbonden.
Juist omdat het niet vanzelf spreekt, is het zo’n wonder om elkaar in de diepte ineens te ontmoeten. Gezien te worden door iemand, maar ook: de ander te kunnen en mogen zien, en iets in elkaar te herkennen. Achter de rollen, conventies en woorden een glimp op te vangen van het licht in de ander, en te weten: jij voelt mijn licht ook. Ik vermoed dat we daar allemaal bewust of onbewust naar verlangen.
Vergis je dus niet in wat er gebeurt wanneer jij me opbelt met je ziel onder je arm. Natuurlijk: ik luister, en ik hou alvast van je, ook als jij even niet van jezelf kunt houden, ongeacht wat er te vertellen is. We delen genoeg taal om elkaar al zoekend te kunnen verstaan. Maar jij doet iets groots en engs, iets wat als zo risicovol wordt gezien dat het vermijden ervan een uitdrukking en aanmoediging op zichzelf is geworden: je laat je kennen. Je geeft me vertrouwen en toegang, en het enige wat ik hoef te doen is die heilige grond op blote voeten betreden.
Ik ben ervan overtuigd dat we bedraad zijn voor dit soort ontmoetingen, ook al vinden we lang niet altijd de verbinding. Zelfs op Instagram, niet het diepzinnigste medium dat we hebben, kwam ik laatst deze uitspraak tegen: Thank you for engaging in the mortifying ordeal of being known, so that I may partake in the euphoric experience of knowing you. Dank je wel dat je je laat kennen. Het is me een ongelooflijk groot geluk.
Liefs!
Merel
Ha Jan!
September, het normale leven is weer begonnen. Heb jij ernaar uitgekeken? Ritme, voorspelbaarheid, focus – alles weer z’n gangetje en weten waar je aan toe bent?
Vorige maand nog was alles veel bijzonderder. We wezen onze gezinsleden uit het autoraam op de uitzichten, aten stinkerige kaasjes en knapperige baguettes, vonden een hagedisje of een schildpad of een kwal. En toen kwam ook nog die zonsverduistering.
Ik zag een foto van je zoon, en foto’s van mijn eigen kinderen op vakantie met hun vader, met brilletjes op hun neus, omhoog turend. Ik zag tijdens de NOS-livestream (want wie in het nu leeft heeft niet op tijd een eclipsbril of kijkdoos paraat) Peter Kuipers Munneke en Albert Bos verrukt vertellen over zonnevlammen en parelsnoeren. Ik zag twee stralende Nederlandse broers die in twintig uur naar een Spaanse berg waren gereden om de volledige verduistering te zien, en ik zag dijken en stranden vol juichend publiek.
Het ontroerde me, al die mensen die zo zichtbaar vol verheug en vol ontzag – zo vol liefde waren. We kunnen het nog. We doen het nog. Ons verwonderen, geraakt worden door wat groter is dan wij, door wat we niet kunnen bevatten, door het prachtigs. Het is niet vaak te zien, dit fantastische menselijke vermogen op zo’n grote schaal, zonder enige schaduw van meningen, zorgen of cynisme. Al helemaal niet op het nieuws. Maar gelukkig: we zijn er nog toe in staat, in zo’n bijzonder geval.
En nu is alles weer gewoon.
Maar Jan, toen ik vanmorgen door het park fietste zag ik een jong fazantje steeds opnieuw naar een net te hoog blaadje springen. Als ik hier in de stad uit mijn raam kijk zie ik meer dan tien verschillende soorten bomen – met zingende vogeltjes erin. We bewonen een planeet waarop gelachen wordt. En elk moment waait er weer adem en daarmee leven door ons heen. De wonderen zijn overal. Naar mijn idee zijn veel daarvan nog veel wonderlijker en prachtiger dan de maan die eens in de heel veel jaar precies ons zicht op de zon blokkeert. Ze vallen ons alleen minder op, omdat ze er voortdurend zijn.
Als het simpele kruisen van die ruimtelijke banen al zo veel verwondering kan veroorzaken, wat is er dan wel niet mogelijk als we ook in september écht om ons heen zouden kijken? En luisteren, en voelen? En wat zou dat betekenen voor hoe we leven, en hoe we met elkaar en de wereld omgaan?
In verschillende religies wordt verwondering als ingang naar het heilige gezien. Ik denk dat het, waar je als mens ook maar in gelooft, een heilzame ervaring is om je te (laten) verwonderen. Zeker nu zoveel door de mens bepaald lijkt te worden, en de luchten dreigend zijn. In verwondering kun je toch alleen maar liefde voelen voor het onbevattelijke Andere?
Maar hoe dan hè, in september, als je alles al een keer gezien hebt? In het boeddhisme heb je het oefenen van een beginnersgeest; mij net iets te vaak uitgewerkt in het aandachtig eten van een rozijn. Je kunt ook (veel leuker vind ik zelf) met jonge kinderen op pad gaan, of desnoods doen alsof, en ze wijzen op de wonderen die je tegenkomt. Ik weet dat jij daar een groot talent voor hebt. Wat wijs jij aan vandaag?
Liefs!
Merel
Merel!
De dag van de eclips was voor mij de ontroerendste van het jaar. Ik reed een halfuur voor die foto van onze zoon het dorp uit. In het weiland aan de rand van het dorp hadden zich honderden verzameld omdat daar vrij uitzicht op de westelijke avondhemel was. Stoeltjes, kleedjes, koelboxjes, de fietsen en auto’s en bolderkarren in de bermen geparkeerd, zo zaten de mensen daar, vluchtig en nietig ten opzichte van die hemellichamen, terwijl ze de brillen aan elkaar doorgaven. Een avondmaal waar geen brood maar licht werd gedeeld. Juist omdat er minder van was, leek er meer van te zijn; een wonderbare vermenigvuldiging. Ik moest bij de aanblik van die mensen sterk denken aan een strofe uit het liedboek – een vertaling van Schulte Nordholt:
O vrede van Tiberias,
o heuvels in het rond,
waar Jezus in het zachte gras
de mensen liefhad en genas
en in hun midden stond.
Zacht was het gras allerminst die avond. Alles was geel van de droogte – het was een krakende, bosbrandende zomer – en toch zag je de zachtheid daar in dat weiland. Op de verschroeide aarde bloeide de naastenliefde, alsof in een negatief van dat verduisterde zonlicht het duister dat onze wereld treft juist een beetje lichter werd.
Op grijzere dagen, als ik in het perpetuum mobile van het huishouden weer eens naar ons grauwe, om een parkeerplaats heen gebouwde winkelcentrum fiets, beeld ik me weleens in dat ik op fietsvakantie in het buitenland bij precies dit winkelcentrum aankom. Wat zou ik er dan blij mee zijn! Een supermarkt, een bakkertje, zelfs een fietsenmaker – ik zou weer een dag vooruit kunnen.
Het grootste wonder, te midden van al die fazantjes, vogeltjes en slappe lachen die ons gaande houden, is dat we leven. Ontelbaar veel wegen waren er die niet naar ons bestaan leidden, maar midden in die oneindigheid ontstonden wij! (En de rozijnen.) Op mijn goeie dagen probeer ik dat steeds weer aan te wijzen, dat we er zijn, dat we er samen zijn. Zie de vakkenvullers elkaar vrolijk pesten tussen de schappen. Hoor hoe de vuilnismannen en -vrouwen fluitend hun choreografie met de kliko’s uitvoeren. Kijk hoe zelfs tussen de puinhopen van natuurgeweld en oorlog gezocht wordt naar elkaar.
In de zomer van 2014 woonde ik vlakbij de A27. Vier dagen op rij fietste ik naar het viaduct om de stoet van rouwauto’s te groeten die de slachtoffers van de MH17-ramp naar huis bracht. Al die mensen die zagen hoe de snelweg eerst leger en toen leeg werd, hoe de stilte intrad, hoe de stoet met escorte voorbijkwam, en hoe het leven daarachter weer zijn gang hernam. Ik kende niemand die in het vliegtuig zat, maar nog altijd, ook nu ik dit schrijf, kan ik niet zonder te huilen terugdenken aan dat moment. Hoe die mensen, beroofd van het wonder van het leven, alsnog gezien werden. Hoeveel lelijkheid en kwaad er ook was en is (en zal zijn vrees ik), de naastenliefde heeft het laatste woord.
Dat probeer ik te zoeken, denk ik. Dat geloof, dat het wonder van samen mens-zijn overwint. ‘Iemand begint vandaag je lievelingsboek te schrijven’, schreef Jurrian van Dongen ooit in een lied voor iemand die het even niet meer ziet zitten. Zo’n hoopvolle zin. We leven, Merel! We mogen leven! En ook als je in september alles gezien hebt, geldt: deze dag was er nog niet. Nooit eerder in de geschiedenis is-ie voorbijgekomen, nooit meer zal-ie er zijn. Laten we hem omarmen.
Liefs!
Jan
Nieuwsgierig naar meer helderheid in jouw diepte?
Ik ook! Bel of mail me voor koffie en een verkennend gesprek.
